Slakken

Het lezen van veel kinderboeken, of gewoon de aanwezigheid van een klein kind in huis, kweekt een wat antropomorfische houding aan jegens schadelijke tuindieren. Voor kinderen zijn alle dieren lief, hetgeen tot zonderlinge complicaties kan leiden: ach, die arme wolf, zeggen ze, wanneer zijn buik wordt opengesneden om Roodkapje en haar grootmoeder er uit te laten. Dit zelfde beginsel is van toepassing op alle lieve kleine wezentjes in de tuin: Brenda Bladluis, Wim Worm, Jan-Pieter Pissebed (P.G. Woodlouse), Pim en Miep Leliehaantje en Wandelstokker de Slak.

Het wonen in een stad heeft zekere voordelen: we hoeven ten minste geen geheime oorlog te voeren tegen 't schattige hertje, de beminde konijntjes en de lieve mollen. Dit inzicht drong krachtig tot mij door deze zomer in Engeland, toen ik samen met enige andere volwassenen - dat is te zeggen collega-ouders - moest voorgeven niet te weten waar de mollenval midden op iemands gazon voor diende. Sommige mensen vinden dat je zulke dingen niet voor kinderen moet verbergen, zomin als je moet voorkomen dat ze in een overigens fascinerende televisiedocumentaire zien hoe jakhalzen gulzige happen nemen uit een nog levend en in doodsangst voorthollend wildebeest, maar het lijkt mij dat hoe langer je de mollenval voor een kind kunt verbergen hoe beter het is. Eigenlijk zou het leven aangenamer zijn als je over het bestaan ervan helemaal nooit iets te weten zou komen.

De zogenoemde organische oplossingen zijn soms minder onplezierig, zoals het omringen van de hele tuin met een antimolbarrière van euphorbia. Maar soms ook niet: met glaasjes bier ingraven voor de slakken wordt hetzelfde resultaat op een veel onaangenamere manier bereikt dan met slakkenkorrels; met die laatste methode verdwijnen ze tenminste zonder dat je ziet hoe dat in zijn werk gaat. Organisch tuinieren betekent volstrekt niet dat je van het moorden bent vrijgesteld, vaak krijg je er in feite meer van nabij mee te maken. Organische tuiniers doden slakken door op ze te trappen (Beverley Nichols, hoewel verre van organisch, geeft er een hoogst onaangename beschrijving van).

Kleine kinderen hebben de boeddhistische benadering: alle doden is verkeerd. Maar anders dan boeddhisten en gelukkig voor hun tuinierende ouders hebben ze een glijdende schaal, Brenda Bladluis en Pim en Miep Leliehaantje hebben geen hoge status en hun massale uitroeiing blijft grotendeels onopgemerkt. De pissebedden in onze tuin zijn daarentegen de helden van een mondeling overgedragen familieroman met niet minder verwikkelingen dan de werken van Ivy Compton Burnett; gelukkig zijn ze onschadelijk en hoeven ze niet bestreden te worden. Ook hebben ze nooit pogingen ondernomen om bij ons in huis te komen wonen. Maar slakken, dat is een ander chapiter.

Bijna een jaar lang hebben we een slak in een glazen bak in huis gehad en we waren eigenlijk nogal aan haar gehecht geraakt (naam: Wandelstokker; geslacht: vrouwelijk; dat is zo beslist door mijn dochter); van tijd tot tijd slaagde ze erin te ontsnappen en leek dan bijna dankbaar om weer te worden teruggezet. Dit maakte het doden van haar soortgenoten in de tuin zowel meer als minder moeilijk. We hadden een token-slak het leven gered en van kost en inwoning verzekerd; maar haar bloedverwanten in de tuin, misschien wel in de eerste graad, werden systematisch uitgeroeid. En "ze kon ook niet eeuwig in die glazen bak blijven' (dat zijn zo van die dingen die je zegt, maar waarom eigenlijk niet?): dus moest ze naar de buitenwereld terug.

De enige mogelijkheid was de polder aan de rand van de stad; daar zouden zeker geen slakkenkorrels liggen. Op een dag in augustus trokken we er op uit, mijn dochter en ik, plus een vriendinnetje van school en haar moeder, met Wandelstokker in een jampot met gaten in het deksel en een stuk hostablad, haar lievelingsgerecht, voor het geval ze honger mocht krijgen onderweg.

Het is een onverwachte en boeiende belevenis om de natuur ineens te zien vanuit slakkenogen; ik verwachtte om een of andere reden een romantisch ecologisch paradijs, een slakken-Club Méditerranée; groepjes van zich tevreden zonnende slakken, ontspannen bezig zich te goed te doen aan allerlei smakelijke hapjes. Maar zo was het helemaal niet; tussen de vlier, de bramen en de distels hadden we de grootste moeite om enig spoor van slakkenactiviteit te vinden. Geen vergelijking met een reservaat vol hosta's, acanthus, hydrangea, en Maarts viooltjes; een Club Méditerranée voor slakken, dat is duidelijk een tuin.

We wandelden of beter gezegd kropen op handen en voeten het park rond. Het was een van die momenten dat je dankbaar bent kinderen bij je te hebben; zonder hen erbij zou een toeschouwer vermoedelijk hebben geconcludeerd met ontsnapte krankzinnigen te maken te hebben. Mijn dochtertje was overigens van de noodzaak van de hele expeditie niet erg overuigd en moest herhaaldelijk worden gerustgesteld dat Wandelstokker hier een heleboel baby's zou krijgen en veel gelukkiger zou zijn. Aangezien we het begrip hermafroditisme nog niet met haar hebben doorgenomen gingen onze aardigheden over het vinden van een geschikte man en vrouw voor Wandelstokker een beetje over het hoofd van mijn dochter en dat van haar vriendin heen.

Maar eindelijk vonden wij toch een soortgenoot, vastgekleefd aan het hoogste topje van een plant die er nogal verkommerd uitzag, heel iets anders dan we voor haar uitgekozen zouden hebben. Deze verre achternicht en -neef was wat grillig gevormd en elegant gestreept, maar het was het beste dat we voor haar konden vinden. Al snel bleken er nog meer te zijn: dit was de juiste plek. We schoven Wandelstokker met haar hostablad tussen het groen, en daar gleed zij meteen, zonder ook maar een keer om te kijken, haar nieuwe wereld in.

Al gauw was er verder niets meer te zien, behalve het verlaten hostablad, dat er wat ongerijmd bij lag, als een schotel kaviaar in een friettent. We wandelden terug. Waarom, zo begonnen we ons opeens af te vragen, zaten al die andere slakken zo raar aan de toppen van de planten vastgekit? Waren het misschien slakken van een heel verschillende soort? Hoe zouden wij ons voelen als een enorme hand ons opeens zou neerzetten in bijvoorbeeld een sloppenwijk van Rio de Janeiro, terwijl een donderende stem uit de hemel ons zou verzekeren dat we daar gelukkig zouden zijn, omringd door soortgenoten?

Ik denk nog vaak aan Wandelstokker, bijvoorbeeld wanneer ik slakkenkorrels strooi. Ik dacht ook aan haar op de dag dat we ontdekten dat een van onze grote Hydrangea villosa letterlijk bedekt was met kleine slakjes - gelukkig niet haar baby's - op elk blad zaten er wel vijf of zes. We verwijderden ze en daar stonden we, met onze handen vol kleine koude buikpotigen die over onze handpalmen gleden als smeltende chocolaatjes, zwaaiend met hun ogen. Maar deze keer waren er geen reddende kinderen in de buurt.

    • Sarah Hart