Schilderijen van Floris Arntzenius op twee plaatsen in Den Haag; Langs de stoeprand met pleinvrees

Tentoonstellingen: Floris Arntzenius, t/m 15 nov. op twee locaties: Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7, Den Haag, di t/m vr 11-17u, za. en zo. 12-17 u; Kunsthandel van Voorst van Beest, Laan van Meerdervoort 5a, Den Haag, vr t/m zo 13-17u en vlg. afspr. Publikatie: Floris Arntzenius, door Dolf Welling, ƒ 95.

Naar aanleiding van de overzichtstentoonstelling Floris Arntzenius in het Haags Gemeentemuseum in 1969 verwonderde een journalist van Elsevier zich erover dat een groot doek van Arntzenius op de veiling ƒ 6200 had opgebracht. Nog altijd doet Floris Arntzenius, die in 1864 werd geboren, het in verzamelaarskringen goed. In de Nederlandse kunstgeschiedenis daarentegen geldt hij nog steeds als een randfiguur, als een late navolger van de Haagse school.

Wie daarvan uitgaat krijgt bij de eerste blik op de huidige Arntzenius-tentoonstelling in het Haags Historisch Museum wellicht even een schok. Een kort moment lijkt het of Breitner er aan de gang is geweest, maar dan met een grijs-blauw palet. De werkelijkheid is hier echter minder intens, minder rauw, bescheidener, misschien wel iets ”beschaafder'. Toch zijn de schilderijen die hier hangen ontegenzeggelijk het werk van een persoonlijkheid.

Het gaat Arntzenius niet in de eerste plaats om expressie en dynamiek, maar om intimiteit. Een steeds terugkerend motief in zijn werk is dat van de smalle, hoge stadsstraat vol mensen, vrijwel steeds in de schemering en bij regenachtig weer. Zijn stadsgezichten zijn misschien een beetje somber maar drukken tegelijkertijd een gevoel van geborgenheid en saamhorigheid uit. Hoe sterk Arntzenius dat zelf voelde, wordt duidelijk wanneer de schilder zichzelf in de menigte afbeeldt: een eenzame, donkere figuur die star langs de stoeprand loopt alsof hij pleinvrees heeft. Dit bijna anekdotische aspect maakt dat de waas van melancholie die er nagenoeg altijd over dit werk hangt, minder abstract is dan bijvoorbeeld bij zijn zeven jaar oudere Amsterdamse collega Breitner, die het stadsleven met een al even weemoedig oog bekeek maar een meer universele blik had.

Om het beeld van zo'n straat goed te kunnen vangen huurde Arntzenius steeds op een strategisch punt een ”raam' waarachter hij zich met zijn ezel kon verschansen. Dat verklaart waarom we steeds hetzelfde stuk van de Spuistraat te zien krijgen en waarom ”A. Smit in sigaren en cigaretten' zoveel reclame krijgt. Pas wanneer Arntzenius dit soort details loslaat - in zijn aquarellen bijvoorbeeld maar ook in de olieverfschetsen - wordt het spannend.

Behalve de stadsstraten zijn ook de interieurs de moeite waard, evenals de scènes uit het Haagse kunstleven. Daar komt Arntzenius soms tot mooie, originele composities en een wat losser kleurgebruik. Bij kunsthandel Van Voorst van Beest, de organisator van deze deels commerciële Arntzenius-manifestatie, hangt bijvoorbeeld een gouache met een ouder echtpaar op de rug gezien dat een schilderijententoonstelling bezoekt. Met zijn grote vlakken en vage contouren is dit werk veel minder traditioneel dan de stadsgezichten en bewijst het dat Arntzenius minder gemakkelijk in het pasklare hokje van de Haagse-schoolnavolgers te stoppen valt.

Hoe interessant het werk ook is, tegen het begeleidende boek heb ik mijn bedenkingen. Niet dat de auteur veel blaam treft, hij heeft vele gesprekken gevoerd met de kleindochter van de schilder en geeft een aardig inzicht in de persoonlijkheid van Floris Arntzenius en diens levensloop. Maar waarom staat er in zo'n prachtig uitgevoerd boek niet wat meer exacte informatie? En dan liefst over de schilderijen, want daar gaat het tenslotte om. De schilder dateerde zijn werk vrijwel nooit, maar er kan toch wel een poging worden ondernomen om enige chronologie aan te brengen of een uitspraak te doen over dateringen? Of zou een nogal traditioneel fonkelend stilleventje met een paar witte rozen minder waard worden wanneer blijkt dat het pas na de doorbraak van de moderne kunst ontstond?

    • Saskia de Bodt