PvdA betwijfelt nut van anti-discriminatiewet voor gehandicapten; Rechten liever via rechter afdwingen

NIJKERK, 31 OKT. “Daar heb je weer zoiets”, zegt R. Mussche op het perron van station Nijkerk. De vriendelijke NS-medewerkster vraagt niet aan haar, maar aan haar valide vriend of ze naar Amersfoort gaat. “Ik ben het, die met de trein meemoet. Altijd spreken ze hem aan.”

Mussche (32) bezocht gisteren een bijeenkomst van de Gehandicaptenraad waar een poging werd gedaan om leden van de Tweede Kamer te overtuigen van de noodzaak handicap als een grond voor discriminatie op te nemen in de nieuwe Wet op de gelijke behandeling. Het wetsvoorstel, dat klaar is om door het parlement te worden behandeld, is een uitwerking van artikel 1 van de grondwet en noemt wel seksuele geaardheid, ras, godsdienst en politieke overtuiging.

De aanwezige Tweede-Kamerleden van de twee regeringspartijen zegden toe dat er een onderzoek komt naar discriminatie van gehandicapten. De resultaten daarvan zullen leren of de bestrijding apart wettelijk moet worden geregeld.

Mussche zit in een rolstol en merkt voortdurend dat ze anders behandeld wordt dan niet-gehandicapten. Als ze met de trein wil, moet ze ten minste een dag van tevoren de reis regelen. Zelfs grote intercity-stations moet ze waarschuwen, zodat daar een opritje klaarstaat. Als ze een trein mist, geeft dat veel problemen. Of bij de disco: “Ze lieten me binnen, maar na tien minuten kwam de baas vragen of ik weg wilde gaan. Hij was bang dat de vaste klanten zouden vertrekken. Na stukjes in de krant mocht ik er in, maar ik hoefde niet meer.” Of de Haagse bioscoop waar ze tot een verbouwing via de noodingang naar binnen kon. “Het was toch simpel geweest om er rekening mee te houden.”

De Gehandicaptenraad overhandigde aan de Kamerleden de eerste exemplaren van een zwartboek met tientallen brieven van gehandicapten over onder meer hun discriminatie bij sollicitaties, op het werk, bij het volgen van onderwijs en bij het uitgaan. Op de bijeenkomst in Nijkerk zei de Leidse socioloog prof.dr. C. Bertels dat het voor de samenleving moeilijk is anders dan met angst te reageren op een handicap, omdat het ideaal van “het mooie, gave, sexy lichaam” er zo wordt ingehamerd. Hij zag als enige uitweg het perspectief van het "slijtende lichaam'. “Het inzicht zou moeten groeien dat iedereen vroeger of later met een handicap te maken krijgt. Het hoort bij het bestaan.”

Prof.mr. P.H. Kooijmans, hoogleraar internationaal recht te Leiden, waarschuwde ervoor dat het probleem “met een sierlijke zwaai in de pet van de rechter wordt geworpen” als de politiek niet met wettelijke regeling komt. Hij begreep niets van de weigering van het kabinet handicaps als discriminatiegrond in de wet op te nemen. Het argument dat er reeds andere wetten zijn die de positie van de gehandicapten beschermen, gaat volgens hem ook op voor groepen die er wel in worden genoemd. Het probleem kan, zo meent Kooijmans, ook in een aparte wet worden geregeld.

“De redenering van het kabinet deugt niet”, vindt D66-Kamerlid L.S. Groenman. Volgens haar is handicap wel degelijk een verdacht criterium en moet het aan de anti-discriminatiewet worden toegevoegd. Maar collega E. Kalsbeek-Jaspers (PvdA) denkt dat discriminatie op handicap ingewikkelder is dan die op andere gronden. Daarom pleitte ze om net als bij de discriminatie van ouderen een onderzoek te naar de situatie van elke dag.

Kalsbeek wil dat gehandicapten meer gebruik gaan maken van de wettelijke mogelijkheden die er nu al zijn in plaats van alle heil te verwachten van de Wet op de gelijke behandeling. Hun voorbeeld zouden volgens haar vrouwen kunnen zijn die “op die manier al heel veel hebben gewonnen”. Voorzitter A.G. Vriethoff van de Gehandicaptenraad vreest echter dat de gehandicapten de dupe worden van het feit dat ze tot dusver "te lief' waren om net als de vrouwen voortdurend naar de rechter te stappen. “We moeten al zo vaak naar de rechter als er weer eens een centenkwestie is.” In rechtszaken op basis van "onrechtmatige daad' ziet hij niets. “Hoe moet je dat bewijzen? Een discriminerende caféhouder zal zeggen: "Spastisch? Was die mevrouw spastisch? Dat zeggen ze allemaal als ze dronken zijn'.”