"Ongerust over de kinderen in Bosnië'

Zorgvuldig maakt Pasja, de moeder van Janny Nozinovic, een klein doosje open. Met een ongelovige blik in haar ogen staart ze naar de inhoud: witte boontjes uit Macedonië. Volgens de traditie kun je met deze boontjes de toekomst voorspellen, een wens doen. “Wat heerlijk, ik ga vanavond meteen beginnen”, zegt Pasja. Haar liefste wens is dat ze volgende week te horen krijgt wanneer ze weer terugkunnen naar Zvornik. “Dan kan ik gaan aftellen, al zou het nog maanden duren voor we echt wegkunnen. Maar ik wil zo graag weten waar ik aan toe ben. De onzekerheid maakt me soms gek”.

Ze is magerder geworden sinds ze begin augustus samen met Janny, haar zoontje en haar schoonzus Nura in Nederland arriveerde. Er is natuurlijk voldoende eten in het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch, maar de Hollandse keuken is zo anders dan thuis in Bosnië. De sneetjes brood zijn dunner, het brood zelf niet zo donker als ze gewend zijn. Nura en Pasja koken in gedachten elke dag. Geen kip met kerriesaus, geen marcaroni maar Bosnische stoofpotten.

“We mogen jammer genoeg geen kookplaten in de kamer neerzetten. Soms is het eten in het restaurant wel lekker maar meestal valt het tegen. Zeker toen we zoete spaghetti kregen met een vreselijke saus. En het brood is zo dun gesneden dat ik me zou schamen het aan iemand voor te zetten”, schreef Janny in haar dagboek.

Het is vol geworden op kamer A-116 van het tijdelijk opvangcentrum. Alle acht bedden zijn bezet. Er is een Bosnische moeder bijgekomen met drie kinderen. “Niemand heeft ons gevraagd wat we ervan vonden. Ze doen maar met ons wat ze willen”, zegt Janny. Haar moeder heeft tevergeefs geprobeerd toestemming te krijgen om in een stacaravan op het kazerne-terrein te gaan wonen. Maar andere bewoners gingen voor.

De school is een welkome afleiding. 't Is wel even wennen dat ze niet te laat mogen komen, als ze bel is gegaan mogen ze niet meer naar binnen. “Dat is het stomste wat ik ooit gehoord heb. In Bosnië komen we binnen wanneer we willen. We trappen lol, praten tijdens de les: dat is toch de normaalste zaak van wereld als je veertien bent? Hier moeten we stil zijn”, schreef Janny vorige week in haar dagoek.

Wis- en natuurkunde vindt ze het leukst. Onder Nederlands hebben ze de meeste lol: “Ik vind de juffrouw saai. We praten er gewoon doorheen in het Bosnisch, kan ze toch niet verstaan. Dan kunnen we zeggen wat we willen”. Ze rolt bijna van haar stoel van het lachen. “Ik wil vooral goed Engels leren. We blijven hier toch niet dus wat heb ik aan Nederlandse les?” Even later mompelt ze in het Engels: “Ik ben niet optimistisch over onze toekomst”.

De paar dagen bij familie in Rotterdam hebben haar en haar moeder zichtbaar goedgedaan. Ze ontbeten zoals thuis in Zvornik, kochten eten in Turkse winkels: “Daar hebben ze het soort voedsel dat wij prettig vinden. We maken onze darmen een beetje blij. Moeder maakte pita met kaas. Het was een genot om al die geuren op te snuiven”, schreef ze.

Hoe zou het gaan met de kinderen in Bosnië, vraagt ze zich vaak hardop af. Is er nog eten voor ze en water? “De Serven hebben ons gehalveerd. De Kroaten zullen ons uitroeien, zodat er geen moslims overblijven. Dat wil de hele wereld. Niemand wil ons”

In de kantlijn van haar dagboek schreef ze op 21 oktober een gedichtje:

Mijn hart is een viool Waarom raak je hem aan als je niet kunt spelen bederf de mooiste klanken niet want in plaats van een lied zul je gejank horen.

    • Anneke Visser