OMROEP

Omroepvrijheid en overheidsbemoeienis door N.A.N.M van Eijk 254 blz., Otto Cramwinckel 1992, f 45,-- ISBN 90 71894 44 4

De laatste keer dat het Commissariaat voor de Media van zich deed spreken was toen het tégen het advies van zijn eigen comité van deskundigen een omstreden boete oplegde wegens belangenverstrengeling tussen Veronica en RTL4. Toch belichaamt dit commissariaat een van de weinige hoopvolle puntjes van het Nederlandse omroepbestel, zo luidt de conclusie van Nico van Eijk in het proefschrift dat hij deze week verdedigde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is daar verbonden aan het instituut voor informatierecht. Aan de hand van een vergelijking met het Franse bestel bepleit Van Eijk versterking van de rol van het commissariaat onder het oorspronkelijke motto: ""de overheid op afstand', zoals de regering het noemde in de Medianota van 1983.

In plaats van zich daaraan te houden gaat de overheid door zich in het Hilversumse bestel te verstrikken. Als dat de gedrukte media overkwam zou het land - terecht - te klein zijn. Van Eijk noemt onder meer het politieke karakter van de benoemingen in het commissariaat voor de media, onrealistische programma-eisen aan zendgemachtigden en beperkingen voor kleine zendgemachtigden en lokale omroep die op gespannen voet staan met het pluralisme dat de overheid juist heet te dienen. Het akelige is dat deze systeemfouten alleen maar herhaald dreigen te worden bij de inrichting van de commerciële omroep die er nu na veel vijven en zessen toch belooft te komen. Volgens Van Eijk bevatten de nieuwe spelregels ""nauwelijks waarborgen voor een gevarieerd samengesteld medialandschap'. De bemoeizuchtige overheid staat met andere woorden een behoorlijke ontplooiing van de moderne massamedia onmiskenbaar in de weg.

Van de Nederlandse grondwet valt weinig te verwachten, want deze geeft volgens Van Eijk ook na de herziening van 1983 ""een vrijwel ongeclausuleerde rechtvaardiging voor overheidsbemoeienis'. Maar er is toch Europa om de Nederlandse overheid op afstand te houden? Uitspraken van Europese rechterlijke instanties in Straatsburg en Luxemburg hebben inderdaad geholpen het juridische Hek om Hilversum open te breken. Van Eijk signaleert echter het gevaar van "verwatering'van de Europese uitingsvrijheid. Zo heeft het Hof voor de mensenrechten in Straatsburg de deur geopend voor toepassing van een internationale conventie voor grensoverschrijdende omroep die Nederland nu juist heeft besloten niet te ratificeren omdat hij teveel overheidsinmenging mogelijk maakt.

In Frankrijk is de overgang van overheidsbemoeienis - wat heet: staatsomroep - naar verscheidenheid ook niet van een leien dakje gegaan. Toch valt er volgens Van Eijk wel wat van te leren. Het zelfstandige bestuursorgaan CSA (Conseil supérieur de l'audiovisuel) staat een stuk steviger in zijn schoenen dan het Nederlandse commissariaat. Van belang noemt Van Eijk vooral de mogelijkheid commerciële zendgemachtigden vast te pinnen op hun toezeggingen met behulp van een "convention': een wettelijk ingekaderde, afzonderlijke overeenkomst tussen de omroep en het bestuursorgaan met eigen nalevingsinstrumenten.

De convenantencultuur heeft overigens duidelijke schaduwzijden, zoals het Nederlandsde milieubeleid illustreert, en we moeten het Franse bestuursorgaan ook weer niet idealiseren. Te denken geeft alleen al de snelle opeenvolging van dergelijke organen, van CNCL via Haute Autorité tot de huidige CSA. Niet mis te verstaan is in ieder geval de les uit Frankrijk dat het gevaarlijk is over te gaan tot privatisering zonder zich eerst een duidelijk beeld te hebben gevormd over de relatie tussen publieke en commerciële/private omroep. Het gevaar is dat de publieke omroep zichzelf denkt te moeten profileren in concurrentie met de commerciële netten in plaats van een eigen identiteit te ontplooien. Dat is inderdaad precies wat ons in Nederland dwars zit.

    • Frank Kuitenbrouwer