Nederlands instituut in Rome gaat zonniger tijdperk tegemoet

ROME, 31 OKT. Twee jaar geleden hingen er donkere wolken boven het Nederlands instituut in Rome. Directeur Ted Meijer dreigde met opstappen: hij vreesde dat bij de reorganisatie van de Nederlandse instituten in het buitenland de wetenschappelijke vrijheid en de culturele taken van Rome in gevaar zouden komen.

Nu ziet Meijer de toekomst aanzienlijk zonniger in. “We maakten ons grote zorgen over een te eenzijdige relatie met Groningen, de universiteit waaraan het instituut sinds 1 januari 1991 is gekoppeld,” zegt Meijer. “Maar we hebben de bui van de reorganisatie goed doorstaan. In de praktijk is dat wantrouwen beschaamd.”

Het oudste Nederlandse instituut in het buitenland gaat zich concentreren op zijn traditionele taken: onderwijs en onderzoek in de geschiedenis, de kunstgeschiedenis en de archeologie. Het betekent meer duidelijkheid over projecten, meer argumenten ook om een kunsthistoricus toe te voegen aan de staf. Meijer hoopt dat begin volgend jaar het beleidsplan wordt goedgekeurd, dat voor het eerst is opgesteld, en dat daarna de werving kan beginnen.

Deze terugkeer naar de oorspronkelijke taken van het instituut, dat in 1904 is opgericht, betekent onvermijdelijk dat zijn rol bij het uitdragen van de Nederlandse cultuur zal verminderen. Maar Meijer wijst erop dat het saldo voor Nederland in Italië positief is. Bij de reorganisatie heeft de ambassade een full time culturele attaché gekregen in plaats van een "halve'. “Dat is een teken dat Den Haag steeds meer erkent hoe belangrijk de verspreiding van de Nederlandse cultuur is,” zegt Meijer.

Bovendien blijft het instituut uit zijn budget van twee miljoen gulden culturele activiteiten financieren: concerten van jonge Nederlandse musici of met Nederlandse muziek; een symposium volgende week donderdag over verleden en toekomst van de Nederlandse taal; en het mee-organiseren van tentoonstellingen die voortvloeien uit onderzoek. Zo wordt op 11 december in het Noordbrabants Museum in Den Bosch een tentoonstelling geopend met ongeveer 150 tekeningen van zeventiende-eeuwse Nederlandse kunstenaars uit het prentenkabinet van de Italiaanse staat. Deze expositie, waarvan de catalogus door het instituut is verzorgd, zal volgend jaar in Rome te zien zijn.

Meijer wijst erop dat zowel in de politieke als de universitaire wereld steeds meer het belang van Nederlandse instituten in het buitenland wordt ingezien. “In Den Haag hoor je steeds vaker de roep om meer instituten voor de verspreiding van de Nederlandse cultuur, volgens een goede spreiding,” zegt hij. “Tot nu toe hebben we weinig aan culturele instituten gedaan.”

“Daarnaast groeit bij de universiteiten de belangstelling voor buitenlandse instituten, mede met het oog op de internationalisering van het onderwijs,” aldus Meijer. Hij wijst erop dat de universiteit van Amsterdam van plan is een eigen instituut te openen in Petersburg.

Na zijn vrees voor een keurslijf is Meijer nu positief over de band met Groningen. Die universiteit is “op voorbeeldige wijze” betrokken bij het instituut en heeft “royaal en loyaal” ingestemd met de vorming van een interuniversitair bestuur, waarin zes universiteiten zijn vertegenwoordigd.

Dit betekent dat het instituut een vastere band heeft gekregen met de universitaire wereld. “In het verleden moesten we daar zelf voor zorgen, nu hebben we een vast aanspreekpunt,” zegt Meijer. “Dat is een positieve verandering.” Stafleden worden nu geleend van de universiteiten, voor drie jaar. “Ik hoop dat hij langer mag blijven,” zegt Meijer over Eric Moormann, de archeoloog die onlangs bij het instituut is begonnen. Maar Moormann zegt: “In drie jaar kan je veel doen. Hier heb je veel meer tijd voor onderzoek dan aan de universiteit in Nederland.”

    • Marc Leijendekker