MISSCHIEN IS GOD EEN KNOL; David Hume en zijn bestrijding van de godsdienst

Gesprekken over de natuurlijke godsdienst door David Hume. Ingeleid, vertaald en geannoteerd door Dr. A.G. Vink 188 blz., Kok/Agora (Dialogues concerning Natural Religion, 1779) 1992, f 34,90 ISBN 90 391 0049 7

Is het nadelig voor een godsdienst wanneer iemand aantoont dat voor de centrale waarheden ervan geen goede argumenten bestaan? David Hume dacht van niet. In augustus 1776, toen hij op sterven lag, herlas hij Lucianus' Dialogen van de Doden en amuseerde zich met het verzinnen van betere excuses om de overtocht naar het dodenrijk uit te stellen dan in dat boek te vinden zijn. Hij zou tegen de veerman over de doodsrivier kunnen zeggen dat hij zijn landgenoten bijna bevrijd had van het christelijk bijgeloof en zijn werk wilde voltooien. Maar hij wist ook al wat de veerman dan zou antwoorden: dat dat in honderden jaren nog niet zou gebeuren.

De godsdiensten en het geloof komen niet voort uit theoretische verwondering over de aard van de natuur of de wereld. Hun oorsprong ligt in de angst voor een onzekere toekomst en een bedreigende omgeving. Historisch en psychologisch komt de godsdienst voort uit de emoties, niet uit de rede. Als verklarende factor speelt in de religieuze geschiedenis de waarheid van de verschillende godsdiensten geen rol. Godsdiensten komen op en gaan ten onder, maar dat is niet het gevolg van hun relatieve waarheid of onwaarheid. De waarheid is geen historische macht. Dergelijke overwegingen had Hume al lang voor zijn dood ontvouwd, in zijn in 1757 gepubliceerde Natural History of Religion. Deze gedachten zijn diep verworteld in Hume's filosofie, die beschouwingen over de geldigheid van de menselijke kennis nauw verbindt met een analyse van de menselijke natuur.

HEIDEN

Voor iemand die er van overtuigd is dat een theoretische weerlegging van een godsdienst weinig invloed zal hebben heeft Hume veel tegen de christelijke aanspraken op het bezit van geldige kennis geschreven. Hij deed dat uit overtuiging. Hij was een heiden. Centrale christelijke noties als zonde, vergeving, persoonlijke onsterfelijkheid en een bij de wereld en de mens betrokken God hadden voor hem geen enkele betekenis. In het algemeen was hij er van overtuigd dat godsdienst een macht ten kwade is, die de mens ongelukkig en slecht maakt, en de zaak van de politieke vrijheid doorgaans geen goed doet.

Schelden op godsdienst wordt vaak vervelend. Bij Hume is dat nooit het geval. Dat heeft verschillende oorzaken. Het is ten eerste zijn rustige zelfvertrouwen. Hij hoeft geen eigen demonen te bezweren. Hij was innerlijk volkomen vrij van het christendom. In zijn weerleggingen van de rationaliteit van de christelijke theologie ontbreken de hysterie en schrilheid die Nietzsches polemieken tegen de christelijke waarden soms kenmerken.

Ten tweede doet juist zijn overtuiging dat zijn bezigheid niet veel uitmaakt de toon van zijn werken veel goed. Hij is amusant, eerder dan dat hij ernstig er naar streeft zijn mening onder een groot publiek te verspreiden. Hume deelde nog een van de grote vooronderstellingen van de godsdienstkritiek van de Verlichting. Het volk is onvermijdelijk godsdienstig. Inzicht in de onwaarheid van het gangbare bijgeloof is slechts te verwachten bij een kleine, klassiek geschoolde en in welstand levende elite. Daarom moet men streven naar een beteugeling van de geestelijkheid, niet naar een uitroeiing van de godsdienst. Hume richt zich niet tot het volk en probeert zijn mening niet te populariseren. Zijn werken hebben niets prekerigs. Hij hanteert de beschaafde toon van heren onder elkaar.

Tenslotte heeft, merkwaardig genoeg, het zijn werk veel goed gedaan dat hij niet altijd voor zijn mening uit kon komen. Hume leefde in een samenleving waar de centrale waarheden van het christelijke geloof een nog vanzelfsprekende status bezaten. Hun bestrijding bracht in ieder geval de beschuldiging van moedwillige zonderlingheid mee, maar ook, en waarschijnlijker, ernstige sociale sancties. In het openbaar het christendom met redenen bestrijden was zoiets als tegenwoordig het verdedigen van de stelling dat de rechtsstaat geen goed idee is. Een enkele maal ging Hume er daarom toe over werken niet te publiceren, passages weg te laten of te veranderen. Doorgaans koos hij echter voor literaire middelen om zijn mening te verhullen. Geregeld onderschrijft hij vrome beginselen op een ironische manier, waarbij tussen de regels zijn ware mening doorschemert. Dat geeft zijn werken een aantrekkelijk, want enigszins dubbelzinnig karakter.

MACHINE

Al deze kenmerken van Hume's manier om tegen de godsdienst te schrijven komen op hun best uit in zijn Dialogues concerning Natural Religion, waarvan A.G. Vink een vlot lezende vertaling heeft gemaakt, die, afgezien van enkele kleine slordigheden, een plezier is om te lezen. De Gesprekken over de Natuurlijke Godsdienst zijn wel beschouwd als het belangrijkste godsdienstwijsgerige werk dat ooit verschenen is. Tijdens zijn leven achtte Hume het niet raadzaam het werk te publiceren. In zijn laatste levensmaanden besteedde hij veel tijd aan het zeker stellen van de verschijning van de Gesprekken na zijn dood. Eerst probeerde Hume zijn vriend Adam Smith, de schrijver van de Wealth of Nations, er toe over te halen de publikatie te verzorgen. Hij wees Smith er op dat deze gevrijwaard zou zijn voor onaangename gevolgen. Smith zou immers kunnen betuigen dat hij de publikatie alleen verzorgde uit piëteit voor een overleden vriend. Toch durfde Smith het niet aan, net zo min als Hume's vaste drukker, die het daarna op zich genomen had. Het was uiteindelijk zijn neef die de publikatie verzorgde, en zelfs hij had moeite drukkers te vinden, zodat hij er nog over had moeten denken het werk in Holland te laten verschijnen.

Deze angsten en voorzichtigheden zijn voor een modern lezer van de Gesprekken moeilijk navoelbaar. Het werk presenteert zich als het verslag van een gesprek tussen de roekeloze scepticus Philo, de accurate filosoof Cleanthes en de starre orthodox Demea door een leerling van Cleanthes. Die leerling leidt de gesprekken in (en de kwalificaties van de gespreksgenoten zijn van hem) en geeft een korte terugblik, waarin hij zegt dat hem het standpunt van Cleanthes als het meest waarschijnlijke voorkomt. Het thema van de Gesprekken is de natuurlijke godsdienst, dat wil zeggen, de kennis over God die de mens kan verwerven zonder een beroep te doen op een openbaring, en die dus voor een ieder open staat.

Het belangrijkste onderwerp van gesprek is het zogenaamde "argument of design', door Vink gelukkig vertaald als de "ontwerp-hypothese'. Zij wordt door Cleanthes verdedigd en luidt als volgt. Het heelal lijkt op een enorme en ingewikkelde machine. De ervaring leert dat de ordening en onderlinge afstemming van de onderdelen van een machine altijd te danken is aan een intelligente ontwerper. Ook het heelal is daarom de schepping van een Ontwerper, wiens natuur enige overeenkomst moet vertonen met de menselijke geest en intelligentie.

De ontwerp-hypothese wordt door Philo en Demea bestreden. Zij doen dat uit verschillende gronden. Philo is van mening dat de redenering niet voldoet, en hij zet dat uitgebreid uiteen. Demea vindt dat Cleanthes geen recht doet aan de onbegrijpelijkheid en verhevenheid van God. Philo komt het vaakst aan het woord en vertegenwoordigt Hume. Toch loopt de dialoog als een trein. De sprekers zijn alle drie intelligent. Geregeld wisselen ze van bondgenoot. Het gesprek is niet eenzijdig en blijft spannend. Er zijn zelfs uitleggers die van mening zijn dat Philo Hume niet vertegenwoordigt.

TOT IN HET ABSURDE

Nergens krijgt het gesprek een tobberige toon. Het biedt intellectueel vermaak van hoog niveau. Vooral Philo's tegenwerpingen zijn vol vrolijke oneerbiedigheid. Zijn argumenten zijn beurtelings hoogst abstract en verheugend concreet. Hij begint met een abstracte, fundamentele tegenwerping. Alle redeneringen op basis van analogie berusten op ervaring met meerdere gevallen. Wanneer we een huis zien, weten we dat er een bouwer geweest is, omdat we vaker huizen hebben zien bouwen. Maar het heelal is, per definitie, een enkelvoudig iets. Over de oorzaak van een uniek object kan men niets met zekerheid zeggen.

In het verdere verloop van de discussie werpt Philo verschillende tegenwerpingen op die bedoeld zijn twijfel op te roepen aan de ontwerp-hypothese door deze tot in het absurde door te voeren. Misschien is het heelal met al zijn verschillende aspecten wel het werk van een groep goden, die in een comité samenwerkten, of, gezien de vele onvolkomenheden, het mislukte produkt van een jonge leerling-god, die met dit heelal voor zijn toelatingsexamen gezakt is. Bovendien, ligt het niet meer voor de hand de wereld te vergelijken met een organisme dan met een machine? Dan is de wereld wellicht een dier, waarvan God de ziel is. Of zelfs een plant. Misschien is de Schepper geen Grote Ontwerper, maar een Knol. Voor dergelijke speculaties bestaan even goede of slechte gronden als voor de ontwerp-hypothese.

Zo leeft Philo zich in de eerste helft van de Gesprekken uit. Wanneer de meeste bezwaren tegen de ontwerp-hypothese geopperd zijn, ontvouwt Demea de gedachte dat het veel beter is de waarheid van de godsdienst te funderen op het innerlijk van de mens. Het aardse bestaan van de mens is ellendig, zonder hoop en zonder vreugde, en een ieder zoekt vanzelf zijn steun bij God. Philo valt hem enthousiast bij. Hij wedijvert met Demea in het zo zwart mogelijk afschilderen van het menselijk bestaan. Pas na een tiental bladzijden wordt de reden voor Philo's instemming met de orthodoxe Demea onthuld, wanneer hij zich plotseling weer tot Cleanthes richt.

De basis van diens argument is dat het gerechtvaardigd is om vanuit de toestand van de wereld te concluderen naar de eigenschappen van de schepper. Welnu, stelt Philo, de toestand van de mensheid en de kwaliteit van het menselijk leven werpen grote vragen op over de morele eigenschappen van die schepper. Epicurus' oude vragen over God en het kwaad zijn nog steeds onbeantwoord. ""Wil hij het kwaad voorkomen, maar is hij er niet toe in staat? Dan is hij onmachtig. Is hij ertoe in staat, maar wil hij het niet? Dan is hij kwaadwillend. Is hij er toe in staat èn wil hij? Waar komt dan het kwaad vandaan?''.

Demea valt Philo in deze bestrijding van Cleanthes bij. Hij betoogt dat het probleem van de menselijke ellende eens te meer aantoont dat Gods handelingen voor de mens onbegrijpelijk zijn. Pas in het hiernamaals, waar ook al het kwaad zal worden goed gemaakt, zal de wijsheid van Gods wereldregering duidelijk worden. Hij heeft geen enkele moeite met Epicurus' oude vragen, omdat hij, zonder het te zeggen, de traditionele erfzondeleer onderschrijft, die daar uitstekende antwoorden op had. De toestand van de mensheid is ellendig, want straf voor haar zonde.

DE OMSLAG

Tot hier toe bevatten de Gesprekken eigenlijk weinig aanstootgevends, ook voor de normen van de tijd. De sceptische Philo en de orthodoxe Demea trekken samen op tegen de rationalistische gelovige Cleanthes. Het is vooral diens naar de normen van de tijd vrijzinnige theologie die bestreden wordt. Maar dan verandert Philo het door Demea ontwikkelde argument van de zwakheid en ellende van de mens in een gedetailleerde beschrijving van de onvolmaaktheid van de wereld en de inrichting van de natuur. Hij laat zien hoe weinig de wereld is ingericht om het menselijk geluk te bevorderen. Dan vindt er een dramatische omslag plaats.

""Stop! Stop! riep Demea uit. Waar sleept je verbeelding je heen? Ik heb me met jou verbonden om de onbegrijpelijke aard van het Goddelijk Wezen te bewijzen en de beginselen van Cleanthes te weerleggen, die elk ding wilde meten naar een menselijke maat en standaard. Maar ik bemerk nu dat jij uitkomt bij alle stokpaardjes van de grootste vrijdenkers en ongelovigen, en de heilige zaak verraadt die je schijnbaar omhelsde. Ben je dan heimelijk een gevaarlijker vijand dan Cleanthes zelf?''

Dit is de laatste bijdrage van Demea aan het gesprek. Even later verlaat hij het gezelschap. In het laatste gedeelte maken Philo en Cleanthes de balans op. De toon van het gesprek verandert van debat naar overeenstemming. Deze afsluiting bevat een beroemd interpretatieprobleem. Opeens lijkt Philo zijn voorgaande bezwaren tegen de ontwerp-hypothese op te geven en de redelijkheid van een natuurlijk godsbesef te erkennen en het daaruit voortkomende geloof te onderschrijven. Zelfs wanneer men de verandering van toon in overweging neemt, lijkt dat een wel zeer vergaande verandering van mening.

Over dit probleem heeft Vink in 1985 een proefschrift verdedigd. Ook in de soms wat onbeholpen geformuleerde inleiding op zijn vertaling van de Gesprekken gaat hij er uitgebreid op in. Hij stelt dat de omslag grotendeels schijn is. Wat Philo erkent blijkt, bij goede lezing, niet meer te zijn dan dat ""de oorzaak of de oorzaken van de orde in het universum waarschijnlijk enige verre analogie vertonen met de menselijke intelligentie''. Vink wijst er op dat het hier niet gaat over de schepping (dus over het ontstaan van de materie uit het niets), maar over het ontstaan van orde, dat de mogelijkheid van meer dan één oorzaak van deze orde wordt opengelaten, en dat deomschrijving tenslotte ook nog de mogelijkheid open houdt dat die oorzaak een aan de materie inherent principe van orde is. Philo's aanvaarding van een zekere waarheid van de ontwerp-hypothese betekent dus nog niet dat hij het bestaan van een boven de wereld staande Schepper erkent.

Dat lijkt mij een juiste interpretatie. Maar ze is niet voor de hand liggend en het is begrijpelijk dat de woorden van Philo ook anders uitgelegd zijn. Hume's bestrijding van de ontwerp-hypothese is daarom zo schokkend, zo origineel en zo verstrekkend omdat ze plaatsvond zonder ondersteuning van de toenmalige stand van de wetenschappelijke kennis, zelfs enigszins daar tegen in. De grootste triomf van de toenmalige wetenschap was de beschrijving van bewegingen van de hemellichamen. Maar juist dat inzicht had de vergelijking van het heelal met een machine waarschijnlijker gemaakt. De ordening van de levende natuur, in de menselijke en dierlijke lichamen, leek een nog sterkere aanwijzing voor de waarschijnlijkheid van de ontwerp-hypothese. Hoewel Philo in de Gesprekken soms de mogelijkheid oppert dat de wereld al een oneindige tijd bestaat, ontbreekt de gedachte dat de soorten levende wezens zich uit elkaar zouden kunnen ontwikkelen. Voor de orde in de levende natuur ontbrak, nog bijna een eeuw voor Darwin, iedere wetenschappelijke verklaring.

Vandaar dat Philo in zijn meer radicale momenten door Cleanthes afgedaan kan worden als een te spitsvondige filosoof, die met verbale grappen twijfel probeert te zaaien aan wat voor iedereen met een gezond verstand duidelijk moet zijn. Met enig recht kon hij hem toevoegen: ""de hemelen en de aarde ontmoeten elkaar in hetzelfde getuigenis, het hele koor der natuur heft één hymne aan ter lofprijzing van zijn schepper. Jij alleen, of bijna alleen, verstoort deze algemene harmonie. Jij komt met vergezochte twijfels, spitsvondigheden en bezwaren.''

GEZOND VERSTAND

Hume was voor dit soort bezwaren zeer gevoelig. In zijn kenleer had hij laten zien dat de mens bepaalde fundamentele noties gebruikt - zoals dat hij een ik is, dat er een wereld bestaat, dat in die wereld oorzaak en gevolg bestaan - maar dat voor die noties geen goede redenen gegeven kunnen worden. De filosofische bezwaren tegen dit soort noties zijn geldig, maar krachteloos, en kunnen geen praktische gevolgen hebben. De mens dient zich hier te houden aan zijn gezond verstand en de instincten van zijn natuur, niet aan een te subtiele wijsbegeerte.

De enige keer dat Philo in de discussie zichtbaar in moeilijkheden wordt gebracht, is wanneer Cleanthes dit argument tegen hem gebruikt. Zijn aanvaarding van een van tal van voorbehouden voorziene versie van de ontwerp-hypothese is ook bedoeld om dit verwijt van zinloos scepticisme te ontgaan. Maar hoe men ""de oorzaak of oorzaken van de orde in het universum'' waar Philo over spreekt ook interpreteert, het is duidelijk dat ze voor Philo op geen manier overeenstemmen met de christelijke God. Hij merkt op dat het inzicht in het bestaan van zo'n oorzaak of oorzaken geen plichten oplegt en het leven van de mens niet beïnvloedt.

Ook verder laat Philo in deze afsluiting geen enkele twijfel bestaan over zijn standpunten. Hij vindt overeenstemming met Cleanthes door diens verheven, filosofische manier van godsdienst af te zetten tegen het bijgeloof van het volk. Maar hij maakt duidelijk dat hij daar alle reëel bestaande godsdiensten toe rekent. Zijn bezwaren tegen de morele en psychologische gevolgen van de godsdienst zijn bijtend en scherpzinnig.

Het enige punt waar Hume Philo duidelijk ironisch laat zijn is in diens slotconclusie. Daar betoogt Philo dat juist zo'n magere conclusie aangaande de orde in de wereld als waar hij toe komt de mens des te eerder zijn toevlucht doet zoeken bij de openbaring. ""Een filosofisch scepticus te zijn, is voor een geletterd man de eerste en meest essentiële stap om een eerlijk, gelovig christen te worden.'' Wanneer de Gesprekken het enige werk zouden zijn dat Hume over godsdienst geschreven had, zou men een dergelijke opmerking wellicht serieus kunnen nemen. Maar elders had hij de gronden die traditioneel werden aangevoerd om te bewijzen dat men in de Bijbel van doen heeft met een goddelijke openbaring weerlegd. Sinds Hume's werk ontbeert de christelijke theologie het vermogen haar waarheden redelijk te kunnen grondvesten. Hedendaagse godsdienstfilosofen zijn al blij als ze waarschijnlijk weten te maken dat het geloof in een god niet onredelijk is, althans niet onredelijker dan het vertrouwen op de dagelijkse ervaring. En zelfs dat is niet heel eenvoudig.

Hume's werken hadden zoveel invloed op de reëel bestaande godsdienst als volgens zijn eigen theorieen verwacht mocht worden. Al tijdens zijn leven werd hij door tweederangs schrijvers als Beattie (zie illustratie) meer beschimpt dan weerlegd. Kort na zijn dood werden zijn volstrekt steekhoudende argumenten ondergesneeuwd door christelijke apologieën van een aanmerkelijk lager intellectueel gehalte. Pas ver in onze eeuw zou de strekking van zijn werken weer goed begrepen worden. Het reëel bestaande christendom bloeide als nooit tevoren. In de 19de en 20ste eeuw zouden het ultramontaans katholicisme en het Amerikaanse protestantisme uitgroeien tot maatschappelijk machtige vormen, die de liberale, vrijzinnige theologie, de erfgenaam van Philo's vriend Cleanthes, volstrekt in de schaduw stelden. De veerman over de doodsrivier had volkomen gelijk toen hij Hume geen uitstel gaf om zijn werk te voltooien.

    • Peter van Rooden