LIEFDESBRIEVEN VAN EEN FILOSOOF MET SLECHTE ADEM

The selected letters of Bertrand Russell. Volume 1: The private years (1884-1914) red. Nicholas Griffin xxi + 553 blz., geïll., Allen Lane 1992, f 87,75 ISBN 0 7139 9023 6

Van de Britse filosoof en Nobelprijswinnaar literatuur Bertrand Russell zijn veertig- tot vijftigduizend brieven bewaard gebleven. Ze berusten, in origineel of kopie, in de Bertrand Russell Archives van McMaster University in Canada. In het kielzog van Russells Collected Papers, waarvan de geplande 30 delen sinds 1983 in een vrij grillige volgorde het licht zien, komt er ook een keuze uit deze omvangrijke correspondentie in twee delen.

Het eerste daarvan, The Private Years, is inmiddels gepubliceerd. De selectie bevat 240 brieven uit de periode 1884-1914, de jaren van Russells intellectuele en emotionele vorming. Verondersteld dat deel II een vergelijkbaar aantal brieven zal tellen, dan zullen de twee delen samen niet meer dan ongeveer één procent van de gehele correspondentie beslaan.

Dat is niet veel, maar een echt bezwaar is het niet. De talrijke persoonlijke ontboezemingen, liefdesverklaringen en binnenkamergedachten gaan in al te ruime dosering snel vervelen. De brieven bevatten weliswaar vele sprankelende passages, maar de liefhebbers van Russells humor en scherpe pen komen toch beter aan hun trekken in zijn gepubliceerde werk.

Bovendien was het, zo schrijft bezorger Nicholas Griffin (een Russell-specialist aan McMaster University die al eerder twee delen van de Collected Papers redigeerde), makkelijk mogelijk geweest om het gehele eerste deel verschillende keren over te doen, maar dan uitgaande van een heel andere selectie. Van de circa duizend liefdesbrieven aan Lady Ottoline Morrell kon Griffin er bijvoorbeeld "maar' 73 opnemen, zonder daarmee de continuïteit ook maar in het geringst te schaden.

VROUWEN

De selectie draagt met recht de titel "The Private Years'. In de bestreken periode was Russell nog allesbehalve de wereldberoemdheid waartoe hij later uitgroeide. De Nobelprijs, de Pugwash-conferenties, de Russell-tribunalen: ze lagen allemaal nog heel ver weg. Russell correspondeerde vóór 1914 weliswaar al met de nodige groten uit de filosofie en de wiskunde (hij was bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog per slot van rekening al 42 en had de publikatie van de Principia Mathematica toen achter de rug), maar het leeuwendeel van zijn correspondentie is gericht aan intimi.

Opmerkelijk is, dat ruim 85 procent van de geadresseerden bestaat uit vrouwen. Ruim twee derde van het totaal is zelfs gericht tot slechts twee personen: Russells eerste vrouw Alys (95 brieven) en zijn latere ongelukkige liefde Lady Ottoline Morrell (73 stuks). Deze beide briefwisselingen vormen de ruggegraat van het boek: de overige brieven staan er soms wat verloren tussen. Na Alys en Lady Ottoline staan Russells vriendinnen Lucy Donelly en Helen Thomas met respectievelijk 12 en 10 brieven op de derde en vierde plaats, gevolgd door de Franse filosoof Louis Couturat (8).

In totaal telt de bloemlezing maar enkele tientallen correspondenten, waaronder slechts een handjevol bekende. Behalve Couturat zijn dat Russells filosoof-collega G.E. Moore (4 brieven), de historicus Gilbert Murray (4), de neo-Hegeliaan Francis Bradley (1), de mede-auteur van de Principia Alfred North White-head (1) en de logicus en wiskundige Gottlob Frege (1). De brief aan Frege is de befaamde uit 1902, waarin Russell met zijn pas ontdekte paradoxen de grondvesten onder Frege's levenswerk wegkegelt. Van alle opgenomen brieven was alleen deze al eerder in zijn geheel gepubliceerd.

De brieven zijn vanzelfsprekend chronologisch geordend, maar bovendien onderverdeeld in zes hoofdgroepen, oplopend van Childhood and Youth tot New Love. Plezierig is, dat bezorger Griffin de lezer onderweg deskundig terzijde staat met verklarende achtergronden en noten. Het boek verkrijgt daardoor niet alleen biografische meerwaarde, het wordt er ook leesbaarder door. Tussen het soms loodzware liefdesproza van Russell zijn de licht ironiserende, maar tegelijk strikt ter zake doende toelichtingen van Griffin een verademing.

De inhoud van de brieven laat zich grofweg onderverdelen in twee categorieën. De eerste wordt gevormd door de vele passages die een licht werpen op Russells wiskundige, filosofische en politieke ontwikkelingsgang. Ze komen door het hele boek verspreid voor, dus ook in de liefdesbrieven. De tweede categorie wordt gevormd door de beide liefdesgeschiedenissen, waarvan de ontwikkelingen ondanks het ontbreken van het merendeel van de brieven zeer gedetailleerd (en helaas soms tot in den treure) zijn te volgen.

De gemiddelde Russell-liefhebber zal aan de eerste categorie ongetwijfeld het meeste plezier beleven. Zo zal hij hier en daar op fraaie passages stuiten over de schoonheid van de wiskunde en de logica. De wereld van de wiskunde, betoogt Russell in 1901 in een brief aan zijn vriendin Helen Thomas, "heeft niets te maken met leven en dood en menselijke laagheid, maar is eeuwig, koud en passieloos', en die laatste twee epitetha zijn bedoeld als een compliment.

Boeiend ook is het om te volgen hoe Russell - vaak vergeefs - worstelt om de eenzame avonturen van zijn vlijmscherpe geest in harmonie te brengen met zijn affectieve leven. Zo schrijft hij in 1904 aan Lucy Donnelly (een andere vriendin) dat een vriendschappelijke relatie tussen een persoon die de waarheid liefheeft en een die zulks niet doet, onmogelijk is. Liefde voor de waarheid is "erg zeldzaam' en dus rijzen er voor een waarheidszoeker als Russell al snel problemen, ""voornamelijk, zoals je zult raden, in mijn relaties met vrouwen'.

WITTGENSTEIN

Russells filosofische ontwikkelingsgang (van neo-Hegeliaan tot realist en onderzoeker van de grondslagen van de wiskunde) is uit de correspondentie niet erg expliciet te volgen. Het blijft af en toe bij glimpen. Wel zijn enkele biografische mijlpalen vertegenwoordigd. Aardig is het bijvoorbeeld om in een brief aan Lucy Donnelly te lezen hoe Russell in 1909, na tien jaar hersenpijnigende arbeid, op het punt staat om het 4000 pagina's dikke manuscript voor de Principia Mathematica in twee grote kratten naar de drukker te brengen. Op dit titanenwerk volgt slechts geestelijke ontreddering. Russell en Whitehead zouden op de publikatie van het peperdure magnum opus uiteindelijk elk nog vijftig pond toeleggen.

Een leuke rode draad gedurende twee jaar vormt ook Russells werk aan een "shop assistants' guide to philosophy', het in 1912 verschenen boekje The Problems of Philosophy. Het schrijven aan deze "shilling shocker', zoals Russell deze proeve van popularisering ook wel ironiserend noemt, blijkt een stuk minder makkelijk dan gedacht. Maar over het resultaat had hij uiteindelijk niet te klagen: het boekje is nog altijd in druk.

Een belangrijk moment voor de geschiedenis van de twintigste-eeuwse filosofie is ten slotte Russells ontmoeting, in 1911, met een Oostenrijkse jongeman die alras zijn belangrijkste leerling zal blijken: Ludwig Wittgenstein. Op 18 oktober schrijft Russell aan Lady Ottoline hoe hij net in een drukke bespreking zat toen ""een onbekende Duitser' verscheen die ""heel weinig Engels sprak' maar evenmin Duits wilde spreken. In de daarop volgende brieven beschrijft Russell hoe de "Duitse ingenieur' op zijn colleges te keer gaat, nog wat verder noemt hij hem voor het eerst bij naam en karakteriseert hij hem als ""dè jongeman waarop men hoopt.'

Is Russell eerst nog alleen maar vol lof over zijn briljante jonge discipel, later is zijn houding er een van beklemmende vrees en ontzag. Wanneer Russell in razendsnel tempo aan een Theory of Knowledge schrijft, is het Wittgenstein die hem met een spervuur van vernietigende kritiek tot opperste wanhoop brengt. Uiteindelijk ziet Russell zich genoodzaakt om geheel met het projekt te stoppen. Wittgenstein verbleef ongeveer twee jaar in Cambridge, waarna hij in Noorwegen zijn Notebooks schreef, de oorlog inging en zijn proto-Tractatus componeerde. Meester en leerling raakten van elkaar vervreemd en verloren elkaar totaal uit het oog.

EUGENETICA

Helaas zijn de filosofische krenten wat dun gezaaid in een pap die verder voor een groot deel uit liefdesproza bestaat. Zulk proza is alleen in drie gevallen goed te verdragen: wanneer het om wereldliteratuur gaat, wanneer men zelf de geadresseerde is of wanneer dit beide het geval is. Helaas stelt Russell, inweerwil van zijn latere Nobelprijs literatuur, op dit punt teleur. Vooral de brieven aan de (getrouwde) Lady Ottoline Morrell wekken dikwijls de geeuwlust op, wat niet verwonderlijk is gezien het feit dat Russell op haar het hevigst verliefd was.

De ernst van het euvel verraadt zich al in de dwepende aanheffen. Begint Russell zijn brieven aan Alys doorgaans met "Daerest Alys' (18 x), "My Darling Alys' (14 x), "My dearest Alys' (14 x) of andere tamelijk vlakke varianten (met als enige uitschieter "My beloved, My Dearest Alys', 1 x), Lady Ottoline wordt meestal kortweg aangesproken met het simpelere en dus intiemere "My Darling' (30 x), afgewisseld met "My Dearest' (4 x), "My Darling Love' (10 x), "My Darling Darling' (7 x), "My dear dear love' (1 x), "My Dearest Dearest' (5 x), "My dearest dearest Love' (1 x) en vele andere permutaties, met als hoogtepunten "My Dearest Dearest Dearest' (2 x) en "O, my dear dear love' (1 x).

De affaire met Ottoline Morrell is al vele malen uitvoerig beschreven (het recentst in de zojuist verschenen biografieën Bertrand Russell van Caroline Moorehead en Ottoline Morrell. Life on the grand scale van Miranda Seymour, verschenen bij respectievelijk Sinclair-Stevenson en Hodder & Stoughton). De in 1911 in de trein naar Parijs begonnen briefwisseling voegt niet bijster veel aan de feiten toe, of het zouden details moeten zijn als het probleem van Russells onwelriekende adem (Lady Ottoline voelde zich ook op andere fysieke punten niet bijzonder tot haar highbrow lover aangetrokken).

Veel interessanter, maar dan vooral uit het oogpunt van Victoriaanse seksuele moraliteit, is de briefwisseling met Russells eerste vrouw Alys. De jongelieden raken eind 1893 op elkaar verliefd en slaan, in plaats van te vrijen, meteen hevig aan het corresponderen. Pas in januari 1904 valt de eerste (lyrisch nabesproken) kus, daarna volgen rap verlovings- en huwelijksplannen.

Fascinerend is het om te lezen hoe deze plannen met grote hardnekkigheid worden gedwarsboomd door Russells grootmoeder van vaderszijde, de "Granny' door wie de verweesde Russell zijn hele somber-eenzame jeugd was grootgebracht. Granny beschikt over een ijzersterk "wetenschappelijk' wapen: de eugenetica. Het huwelijk zou gevaar brengen wegens familiale gekte in beide geslachten. Inderdaad heeft Granny aan de Russell-kant een sterke troefkaart in handen in de persoon van "gekke oom Willy', terwijl er aan de Pearsall-Smith zijde sprake is van een veelbelovende manisch-depressieve oom Horace.

ANTICONCEPTIE

De uitwerking van deze manipulerende bemoeizucht op Russell is verpletterend: hij raakt in een diepe depressie. Toch zetten de gelieven zich uiteindelijk over de "genetische bezwaren' heen, ze zullen met "neo-Malthusiaanse methoden' (lees: anticonceptie) het krijgen van kinderen wel weten te verhinderen.

Na een ongelooflijke historie van botte tegenwerking door grootmoeder Russell trouwen ze uiteindelijk toch. Bijzonder vermakelijk is het overigens om te lezen hoe de maagdelijke Russell al maanden voor de eerste huwelijksnacht met Alys onderhandelt over de frequentie van de coïtus. De rest van de correspondentie met Alys beschrijft de pijnlijk geleidelijke neergang van hun huwelijk, uitmondend in een jarenlange onofficiële scheiding.

Dit eerste deel van Russells correspondentie is een mixed bag. Het boek telt vele flonkerende passages, maar ze zijn helaas een tikje dun gezaaid. De correspondentie is voor een groot deel te particulier van aard om zelfs de ferventste Russelfans te kunnen boeien en een ander bezwaar aan het boek is, dat Griffin zijn selectie nergens in detail verantwoordt. Hoe representatief is de keuze? Hoeveel "losse' correspondenten zijn er misschien weggelaten om de beide liefdes zo breed uit te kunnen meten? Enige statistiek over de 99 procent die Griffin heeft weggelaten, ware te wensen geweest.

    • Felix Eijgenraam