Kunsthal lijkt wel een toverdoos

ROTTERDAM, 31 OKT. Kunsthal - het woord doet denken aan Duitsland en wekt associaties met grote zielloze dozen vol witte ruimtes, die door hun onbestemdheid geschikt zijn voor allerlei soorten tijdelijke tentoonstellingen. Ook de nieuwe, door Rem Koolhaas' architectenbureau OMA ontworpen kunsthal in Rotterdam, die vandaag door koningin Beatrix wordt geopend, lijkt op het eerste gezicht op een doos die zich tegen de Westzeedijk heeft aangevlijd. Het gebouw heeft al een bijnaam: de parkeergarage. En het gegeven dat er vanaf vandaag maar liefst zes verschillende tentoonstellingen zijn te zien, doet vermoeden dat de doos van binnen wel weer zal bestaan uit een aantal orthodoxe, onbestemde ruimtes.

Maar bij nader inzien heeft Koolhaas' kunsthal meer weg van een toverdoos dan van de gebruikelijke kunstdoos. Om te beginnen zijn alle vier façades verschillend. De collage-achtige zijde aan de Westzeedijk bijvoorbeeld heeft, zoals Koolhaas het zelf noemt, "een stedelijk gezicht'; de rustige achterkant, gelegen aan het Museumpark, moet door zijn met travertijns marmer bedekte bovenkant en glazen onderkant zorgen voor de "traditionele museale comtemplatieve sfeer'. Als extra attractie en contrapunt heeft Koolhaas bovenop het dak een tweede, smalle, opgerichte doos geplaatst, waarin onder meer de afvoerbuizen van het ventilatiesysteem zijn weggestopt. Binnen bevat het gebouw naast drie tentoonstellingshallen met elk een eigen sfeer een auditorium en een restaurant, die afzonderlijk zijn te gebruiken. En alsof dit nog niet genoeg is, wordt de kunsthal doorsneden door een al bestaande straat en, haaks daarop, door een hoger gelegen openbare "hellingstraat', een woord dat nog niet in de Van Dale voorkomt. Aan deze hellingstraat, die de dijk met het vijf meter lagere park verbindt, is de hoofdingang met kassa's gesitueerd. Maar wie niet in kunst is geïnteresseerd, kan doorlopen naar het park en zo het gebouw alleen als toegangspoort gebruiken.

Al is de bestaande straat die dwars door de kunsthal loopt niet meer dan een rustige ventweg, de samenkomst van automobilisten, fietsers, tentoonstellingsbezoekers en parkgangers maakt het gebouw een mooi voorbeeld van "congestie', de opeenhoping van verschillende activiteiten op één plek waarvoor Koolhaas al sinds het begin van zijn loopbaan in de jaren zeventig pleit.

In 1988 werd Rem Koolhaas op de roemruchte tentoonstelling Deconstructivist Architecture in New York nog gepresenteerd als een vertegenwoordiger van het deconstructivisme. Echt thuis in dit kamp van door "onzekerheid' geobsedeerde architecten, volgens wie in "onze gefragmenteerde wereld' alleen nog plaats is voor een "gefragmenteerde architectuur', heeft Koolhaas zich nooit gevoeld. Onlangs nam hij er in een interview zelfs nadrukkelijk afstand van. “Ik begin sceptisch te staan tegenover de bijdrage van het deconstructivisme aan het architectenberoep”, zei hij. “De uiteindelijke rechtvaardiging ervan is die van de analogie: jullie zitten in de rotzooi, wij zitten in de rotzooi, enzovoort. (-) De analogie tussen onregelmatige geometrie en een gefragmenteerde wereld waarin waarden niet langer vast verankerd zijn, is naïef en banaal. (-) Uiteindelijk is het deconstructivisme decoratief.”

Toch vertoont de Kunsthal nog trekjes die voor deconstructivistisch door zouden kunnen gaan: de stalen balken die in verschillende richtingen onder de torderende bovenlichten van hal 2 zijn aangebracht, de nutteloze, doorlopende H-balken op het dak en bovenal de schuine, van buitenaf zichtbare kolommen die dwars door het restaurant op de begane grond en het daarboven gelegen auditorium heen lopen, alsof de zwaartekracht niet bestaat. Ook het stalen kruis tussen de zuilen aan de dijkkant dat de extra ingang van de ook al afzonderlijk te gebruiken hal 2 lijkt te versperren, is een grapje waarvoor een deconstructivist als Peter Eisenman zich niet zou hebben geschaamd.

Maar de "fragmentarische' onderdelen spelen een ondergeschikte rol. Gezichtsbepalend voor de kunsthal zijn de hellingbanen die het auditorium en de drie hallen met elkaar verbinden. Ze geven de hal een hecht georganiseerd karakter. Na het passeren van de kassa maakt de bezoeker een tocht door het gebouw die steeds terugkomt bij de hellingstraat, het hart van het gebouw. De architectonische wandeling is een belevenis op zichzelf: gaandeweg wordt de complexiteit en de rijkdom van dit bouwwerk onthuld en wie van de ene naar de andere tentoonstelling loopt, krijgt steeds verschillende uitzichten op de ventweg, de hellingstraat en de oplopende daktuin met heuse perebomen.

"Promenade architecturale', luidt de Franse vertaling van architectonische wandeling. Deze woorden doen onmiddellijk denken aan het werk van Le Corbusier die ook zo verzot was op hellingbanen. Le Corbusier omschreef architectuur eens als "circulatie', een definitie die Koolhaas wel zal aanspreken.

De kunsthal roept nog andere herinneringen op. Zo lijkt de combinatie van de glazen façade aan de Westzeedijk met de overstekende dakrand op de Neue Nationalgalerie van Mies van der Rohe in Berlijn. De meest onverwachte verwijzing is te zien in hal 1. Daar staan vijf ontvelde woudreuzen, waarin achttiende-eeuwse classicisten ongetwijfeld oerzuilen, het begin van de klassieke architectuur, zouden hebben gezien.

Het is inmiddels een Nederlandse traditie geworden om de slechte afwerking en detaillering van Koolhaas' gebouwen te kritiseren. Ook in de Rotterdamse kunsthal geeft Koolhaas zijn critici weer een aantal niet te missen kansen. De façade van de expeditieruimte is bijvoorbeeld onaangenaam kaal en op sommige plekken is men de kunststof golfplaten wel met een erg botte zaag te lijf gegaan. Het is opzet van Koolhaas. “Critici zeggen dat de details gewoon slecht zijn. Ik zeg dan dat er geen detail is. Dat is de kwaliteit van het gebouw. Geen geld, geen detail, alleen het pure concept,” zei hij in het al eerder geciteerde interview.

Geld of geen geld, de slechte afwerking van sommige onderdelen doet ook aan de kunsthal enigszins afbreuk. Ook blijft het moeilijk wennen aan de combinatie van krottenwijkmaterialen als golfplaat met koninklijke steensoorten als travertijns marmer. Hiervoor geldt eigenlijk hetzelfde als wat Koolhaas zelf over het deconstructivisme beweert: het scherpe contrast is "banaal en naïef', het is een te letterlijke en te dik opgelegde verbeelding van de botsing van het "verhevene' met het "alledaagse', van "hoge' met "lage' cultuur.

Koolhaas heeft zich nooit iets aangetrokken van deze kritiek en zal dit ook nu weer niet doen. En zolang hij gebouwen als de kunsthal blijft ontwerpen geeft dit ook helemaal niet. Want bij zulke ingenieuze, knappe en verbluffende architectuur neemt men gebrekjes graag voor lief.

Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Tentoonstellingen: Hofcultuur uit Indonesië; Het Koninklijk Paleis; Rotterdamse Kunst; Rotterdam in de jaren '50 - gezien door vijf fotografen; Werken op papier; Logo's voor de KunstHAL. Geopend: di t/m zo 10-17 uur. Zon- en feestdagen: 11-17 u. Toegang ƒ 10,-

    • Bernard Hulsman