Inhoudelijk koningschap wordt op den duur kwetsbaar

Onderstaande tekst is een gedeelte van de toespraak die de voorzitter van de Eerste Kamer ter gelegenheid van het twaalfeneenhalfjarig regeringsjubileum van koningin Beatrix, gistermiddag in de Grote Kerk te Den Haag heeft gehouden.

Wie de gezagsverhoudingen binnen de Nederlandse Staat in de afgelopen twaalfeneenhalf jaar bekijkt, ontdekt dat de wetgever aan geloofwaardigheid heeft ingeboet, maar de rechter aan vertrouwen gewonnen. Hij ontdekt ook dat het gezag van politieke instellingen en partijen is aangetast, maar het gezag van de koningin is gegroeid.

Koningin en rechter; de een erfelijk aangewezen, de ander voor het leven benoemd. Is dat niet vreemd in een parlementaire democratie waarin toch de legitimatie door verkiezingen zo op de voorgrond staat?

In alle Westerse democratieën worden op dit moment zwakke plekken zichtbaar. De betrokkenheid van de burger, de effectiviteit van het bestuur en de herkenbaarheid van het leiderschap laten te wensen over. Dat geldt ook in Nederland. In de jaren zestig en zeventig is grote aandacht geschonken aan de relatie kiezers-gekozenen. Dat heeft niet tot blijvende verbeteringen geleid.

In de afgelopen twaalfeneenhalf jaar is vervolgens de nadruk komen te liggen op de verbetering van de effectiviteit van het bestuur. Het resultaat is wisselend. Ook de voorwaarden voor herkenbaar leiderschap zijn in Nederland moeilijk te realiseren. Na het verdwijnen van de regenten heeft de zelfstandige functie van regeerders aan kleur ingeboet. Er wordt geklaagd over verambtelijking. In een land van politieke minderheden is het presenteren van een eigen, afwijkende, visie riskant. Dat brengt het evenwicht, de coalitie, in gevaar. Ook de eigen verantwoordelijkheid is zwak ontwikkeld; gezamenlijke verantwoordelijkheid en evenwichtspolitiek horen bij elkaar.

In tijden van verandering worden deze zwakke plekken meer zichtbaar. De behoefte aan effectief bestuur en herkenbaar leiderschap groeit. Eén ding is echter de laatste twaalfeneenhalf jaar overal in de wereld steeds duidelijker geworden: echte veranderingen lukken niet zonder medewerking van de burgers. Daarom zal in de staatkundige vernieuwing die we zoeken de burger, "zijn vermogen om zelfstandig en verantwoord te oordelen' (Van Gunsteren) centraal moeten staan.

Dat is overigens gemakkelijker gezegd dan gedaan. De inhoud van het burgerschap is in Nederland altijd beperkt gebleven. Wij spreken makkelijker over kiezers en klanten.

Waarom nù deze aandacht voor de zwakke plekken in onze democratie? Omdat door deze zwakke plekken een inhoudelijk koningschap, een koningschap dat meer is dan uiterlijke glans, op den duur kwetsbaar wordt. Zoals de rechter kwetsbaar wordt als de wetgever het te lang laat afweten. Dat geldt zeker in tijden van verandering.

Een erfelijk staatshoofd kàn die zwakke plekken zelf niet wegnemen: het is niet gekozen, heeft geen eigen beleid noch eigen politieke verantwoordelijkheid. Een erfelijk staatshoofd kan wel bijdragen aan een levende democratie. Een levende democratie wordt gekenmerkt door publieke betrokkenheid bij wat ons gemeenschappelijk raakt, door politieke aandacht voor nieuwe ontwikkelingen, door het overstijgen van deelbelangen en door het erkennen van de menselijke maat. De koningin levert een onmisbare bijdrage aan elk van deze vier kenmerken.

Allereerst is de koningin het symbool van de gemeenschap die we gezamenlijk vormen. Zij deelt in onze gezamenlijke vreugden en verdriet. Tijdens haar bezoek aan de Bijlmer drukte de koningin uit wat wij voelden.

Daarnaast hebben de koningin èn prins Claus zich de positie verworven om voor bepaalde problemen, op bepaalde momenten, ook publiekelijk aandacht te vragen. Wie herinnert zich niet de diepe bezorgdheid over het milieu in de Kersttoespraak 1988. “Wat wij thans meemaken is niet de vernietiging van de aarde in één klap maar in een stil drama”.

In een samenleving waarin deelbelangen traditioneel een grote rol spelen kiest de koningin naar de woorden van de minister-president “de nationale invalshoek”. Dat doet zij bijvoorbeeld in de regelmatige gesprekken met ministers en staatssecretarissen.

In een beleid dat vaak onvermijdelijk in grote maten meet, groeit de behoefte aan erkenning van de menselijke maat, de erkenning van individuele initiatieven en problemen. De koningin probeert die erkenning tot uitdrukking te brengen bijvoorbeeld in haar werkbezoeken, maar ook in talloze gesprekken en informele contacten.

Dit koningschap stelt hoge eisen. De traditionele mogelijkheden om de koningin buiten de publieke discussie te houden zijn beperkt geworden. Wim Kan suggereerde nog dat naast de telefoon op Soestdijk een lijstje hing met 'alarmnummers': “Politie, brandweer, dokter: Dr Beel”. Die tijd is voorbij. Het komt nu nog meer dan vroeger aan op het samenspel tussen koningin en ministers.

“In een democratie is het gezag beweeglijk, bereid zich aan te passen, open voor kritiek” (Van Thijn). Ministers èn Kamerleden komen en gaan (niet elke minister-president blijft meer dan tien jaar). Over twaalfeneenhalf jaar zal de koningin veruit de meeste staatkundige ervaring bezitten. Dan toch steeds weer de noodzakelijke beweeglijkheid en het vereiste aanpassingsvermogen opbrengen is zwaar. Een kritische omgeving is een staatshoofd niet automatisch gegeven. Die omgeving moet steeds opnieuw georganiseerd worden.

De sterke nadruk die de koningin legt op de inhoud van het koningschap, door sommigen professionalisering genoemd, is een antwoord op deze eisen. Waar roeping steeds meer een persoonlijke aangelegenheid is geworden en populariteit een onzekere basis biedt, is inhoud een noodzakelijk derde element voor het voortbestaan van, in de woorden van de koningin, “deze functie waar niemand om vragen zou”.

De koningin kan deze functie vervullen niet ondanks maar juist dankzij de grondwettelijke beperkingen. Deze beschermen haar tegen al wat het leven van ministers tekent: de verbinding met één partij, de noodzaak verkiezingsbeloften waar te maken, de verantwoordelijkheid voor de resultaten van het beleid.

“De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk”. Zo staat het in de Grondwet. Zo moet het blijven. Een goed functionerend koningschap heeft ministers nodig die niet bang zijn om kritiek op te vangen. Steeds opnieuw zullen ministers zich moeten afvragen (en de volksvertegenwoordigers met hen) of wel voldoende gebruik wordt gemaakt van de kennis en ervaring waarover deze koningin en prins beschikken.

Vandaag vieren we “de bevestiging van het historisch verbond tussen het Nederlandse Volk en het Huis van Oranje Nassau” op 30 april 1980. Hoe ziet de toekomst van dat verbond eruit? Ik stel deze vraag omdat een half jaar geleden in de Tweede Kamer een symposium werd gehouden onder de titel: Overleeft de Tweede Kamer Europa? Tien jaar geleden werd al de vraag gesteld: is er een plaats voor de koningin in Europa?

Terzijde merk ik op dat deze vraag voor departementen en ambtelijke diensten zelden wordt gesteld. Integendeel, hun voortbestaan (en uitbreiding) wordt juist bepleit ten behoeve van het Europese beleid. Beide vragen gaan uit van een misverstand en een miskenning. Het misverstand van een Verenigd Europa als Staat waarin Nederland zonder veel discussie of problemen zal opgaan.

De miskenning van de belangrijke rol van volksvertegenwoordiging en staatshoofd in tijden van verandering. Juist nu komt het er op aan te weten wat ons bindt. Bijna tien jaar geleden zei de koningin in een rede te Londen: “Alleen als wij zelfbewust onze eigen identiteit kennen, kunnen wij goede Europeanen worden; voor een heilzame samenwerking is het zelfs voorwaarde. Slechts vanuit het eigen fundament kunnen wij bouwen aan het Europa van vandaag en morgen”.

Het gevoel bij de burgers dat zij in Europa niet meetellen is nauw verbonden met het gevoel bij de burgers dat hun mening in eigen land er niet toe doet. Geen democratisch Europa zonder levende democratie in eigen land. Deze koningin levert aan die levende democratie een belangrijke bijdrage door werkelijk inhoud te geven aan de rechten van een onschendbaar staatshoofd: “het recht om geïnformeerd te worden, het recht om te waarschuwen en het recht om te bemoedigen”. Zij doet dat van hoog tot laag, van links tot rechts, bij allochtonen en autochtonen, binnenskamers en publiek, hier en overzee. Moge dit de komende twaalfeneenhalf jaar zo blijven.