Ingetogen afscheid Bosnië-gangers

NUNSPEET, 31 OKT. Eén voor één tilt sergeant eerste klas R. Traas zijn zoontjes in de cabine van een smetteloos wit gespoten tientonner. Iets verderop poseert een soldaat met zijn vrouw voor de bumpers van een witte tankauto. Een militaire kapel zet een vrolijke mars in.

Partners, kinderen en andere familieleden konden gisteren in de Generaal-Winkelmankazerne in Nunspeet wennen aan het afscheid van de 430 manschappen die komende week naar Bosnië vertrekken om in het kader van de VN-vredesmacht humanitaire hulp te verlenen. De mannen en een enkele vrouw zullen onder meer moeten helpen bij de bevoorrading met voedsel en medicijnen van het zwaar belegerde Sarajevo.

Tranen vloeiden er nauwelijks op de "familiedag' in Nunspeet en dat was ook de opzet. “Het plan was eerst de mensen vlak voor het werkelijke vertrek op Schiphol in een grote zaal afscheid te laten nemen”, zegt een korporaal. “Maar als daar een groep van 1.500 mensen staat en er gaat er één huilen, dan hou je geen mens meer stil. Dan krijg je goede tijden, slechte tijden en wil de helft niet meer mee.” Gisteren was iedereen, van buurman tot partner, welkom; volgende week komen alleen de naaste familieleden naar de vertrekhal van Schiphol.

Oma Traas kijkt vastberaden hoe haar kleinkinderen in de cabine van de witte VN-truck klimmen. Zij kent dit leven. Haar man was beroepsmilitair en haar zoon heeft hetzelfde vak gekozen. “Maar dit is toch anders. Ik heb ervan wakker gelegen, maar ik heb me er maar bij neergelegd. Ik lees alles, volg het op tv en dan zie ik soms wat er gebeurt en dan denk ik: waar zit ik toch naar te kijken?” Echtgenote Traas reageert zuinig. “Je kunt zoiets verwachten, maar je rekent er niet op.”

Haar man, die nu twaalf jaar beroeps is, haalt zijn schouders op. “Ik heb ervoor gekozen en het moment is dan nu gekomen. Wij zijn daar met ons werk bezig en kunnen er met collega's over praten. Maar zij zitten thuis.”

Traas heeft er eigenlijk wel zin in. “We zorgen dat we 't samen rond krijgen. Ik denk dat het een mooie ervaring is. Als hier nu een pomp kapot is, bestel ik een nieuwe en dan is die er een dag later. In Bosnië zullen we wat meer onze fantasie moeten gebruiken.”

Pag 3: Echte Rambo's mogen niet mee naar Bosnië

Slechts één minuut heeft korporaal M. Veenstra uit Medemblik nagedacht over de vraag of hij zou meedoen. Veenstra zit bij de geneeskundige troepen en heeft voor twee jaar bijgetekend, “dus ik zie het als mijn werk. Je kunt nu een keer nuttig werk doen in plaats van doelloos op de kazerne rondhangen. Het geeft je ook wat levenservaring. We hebben hier dat zorgeloze leventje. Maar misschien werkt het ook wel negatief.”

Heeft zijn moeder geprobeerd hem om te praten? “Nee hoor”, verzekert ze. “Toen hij er mee thuis kwam, zei ik: ben je helemaal gek geworden? Aan de andere kant heb ik er ook wel respect voor. Maar toen ik hier aankwam en al die voertuigen zag staan, begon ik wel te beseffen dat het nu werkelijkheid is.”

“Het ergste is de onduidelijkheid daar”, zegt Veenstra. “Je weet niet waar je terechtkomt en hoe de verhouding is met de Serviërs en de moslims. In principe zijn wij neutraal, maar er zijn allerlei verschillende groeperingen en commandanten. De een zegt dat je mag doorrijden en de ander houdt je vast. Het verschilt van dag tot dag. Van Libanon hoorde ik verhalen dat ze je gingen provoceren: vlak voor je voeten in de grond schieten en dan mag je niks terugdoen. Ik vind dat we er te weinig over gepraat hebben. Er zijn mensen die denken dat het een vakantiereisje wordt.”

“Die jongens met een grote mond moet je niet hebben”, zegt de vader van de dienstplichtige G. van Kampen. Voor hem is het een vanzelfsprekende zaak dat zijn zoon gaat. Het gezin komt uit Epe, van de onwankelbare Veluwe. “Je bent er toch om elkaar te helpen en ik vind dat het daar al veel te lang heeft geduurd.”

Ook moeder Van Kampen is het helemaal eens met de keuze van haar enige kind. Ze weet dat je je op het laatste moment nog mag terugtrekken, maar dat zal bij haar zoon niet gebeuren. “Daar ken ik hem goed genoeg voor. Hij heeft zo'n doorzettingsvermogen. Terugtrekken zou ik een beetje slap vinden. Dan had je er niet voor moeten kiezen.”

Korporaal D. Berrevoets (“ik ben een manusje van alles op de administratie”) erkent grif dat hij zenuwachtig is. Dit wordt zijn tweede bezoek aan Joegoslavië, want een jaar geleden zat hij er als lid van de EG-monitor-commissie. Of hij al nachten wakker heeft gelegen? Zijn moeder begint te schateren. “Hij slaapt metéén.” Maar dan serieus: “Het is wel beangstigend, maar ik ben best wel trots. Hij heeft hier voor gekozen en hij is volwassen. Dus dan kunnen we hem alleen nog maar steunen.”

Berrevoets noemt de stemming goed, “maar er zijn er een heleboel die niet weten waar ze aan beginnen. De jongens met de grootste mond worden bang als het vliegtuig landt. Ik denk dat er een heleboel bij zijn die sensatie zoeken. De echte Rambo's zijn er uit geselecteerd; die mogen niet mee.”

Het gezelschap zit in een reusachtige tent met tapinstallatie die daags tevoren is opgezet. Een majoor van de Maatschappelijke Dienst Defensie neemt het woord en vertelt het thuisfront hoe het op de hoogte kan blijven van het wel en wee van hun geliefden en wat er gedaan wordt aan “post-traumatische stress-ervaringen”. “Die mensen doen fantastisch werk”, weet mevrouw Berrevoets. Ze houdt haar handen een halve meter van elkaar. “Ze hebben zó'n lijst met telefoonnumers die je kunt bellen. Da's perfect, hoor.”