"Hoe het echt is gegaan, zal niemand van mij horen'

Dit is de derde aflevering van een serie over mannen en vrouwen die hun (ex)partner doodden of hiertoe een poging deden. Wat was de eis? Hoe luidde de straf. En waarom deden ze het?

In 1984 stond Esme P. (32) terecht voor uitlokking tot, en medeplichtigheid aan de moord op haar man. De eis: tien jaar gevangenisstraf. Twee jaar en twintig rechtzittingen later werd zij door het Hof veroordeeld tot zeven jaar. Een jaar geleden kwam zij vrij.

Esme P., een opvallende schoonheid, gaat mij voor in een vrijwel lege huiskamer. “Binnenkort gaan we verhuizen. We hebben heb het huis van onze dromen gevonden, zonder buren en met een vrij uitzicht op boomgaarden en weilanden. Er is ook een bruggetje en als ik dat ophaal, kan geen mens meer binnen. Ik heb het niet zo op mensen. Dat komt niet door die zeven jaar gevangenis, hoor, dat had ik daarvoor ook al.

“Mijn ouders hebben mij min of meer aan hem uitgehuwelijkt onder het mom van "we hebben het beste met je voor'. Toen ik veertien was, trok hij bij ons in en sliepen we samen. Dat vond ik niet raar, ik wist gewoon niet beter. Liefde is het nooit geweest. Op mijn zestiende ben ik met hem getrouwd en een jaar later werd het eerste kind geboren.

“Voor mijn kapotte lippen of een blauw oog verzon ik smoesjes; een koortslip, tegen de deur gelopen. Toen ik mijn moeder vertelde dat ik werd geslagen, zei ze: "Dat hoort erbij en jij zult zelf ook niet zo'n lekkertje zijn'. Het enige wat ik me van mijn ouders herinner, is dat ze altijd ruzie hadden. Er werd nooit ergens over gesproken. Het was bekend in onze familie dat ik vanaf mijn zevende seksueel ben gebruikt door een oom, maar ook daarover geen woord. Ik heb mezelf beloofd dat als zoiets ooit met mijn eigen kinderen zou gebeuren, ik die man dwars door zijn kop zou schieten. Dat is ook gebeurd, en het was mijn eigen man.

“Op een gegeven moment herkende ik dingen van mezelf in mijn oudste zoontje. Hij werd stil en huilerig en lachte nooit meer terwijl hij daarvoor een heel open en vrolijk kind was. Ik had vermoedens, maar ik heb het nooit gezien. Toen ik mijn man voorstelde om te scheiden, zei hij: "De enige manier waarop jij dit huis verlaat is in een kist.' Op het politiebureau waar ik een keer aangifte deed van mishandeling, kreeg ik het commentaar: "Ach, mevrouwtje, ga toch naar huis, tegen de tijd dat ik klaar ben met het proces-verbaal liggen jullie alweer samen in bed en heb ik mot met mijn vrouw omdat ik te laat thuiskom.' Daarna ben ik naar een Blijf-van-mijn-Lijf Huis gegaan, maar dat was van korte duur. Hij had me direct gevonden, tilde de voordeur eruit en nam me weer mee naar huis. Ik ben naar Italië gevlucht met de kinderen, ik had niemand verteld waar ik was, maar binnen drie dagen had hij ons gevonden.

“Ik was doodsbang voor hem, dat ben ik soms nog steeds terwijl hij nu acht jaar dood is. Dan staat hij opeens voor me, kijkt naar me en zegt niets - zoals het in het echt ook ging. Het was een charismatische man; iedereen had ontzag voor hem. Gehaat heb ik hem nooit, ik heb altijd excuses voor zijn gedrag gezocht, medelijden met hem gevoeld. Hij zei dat hij van me hield, maar teder is hij nooit geweest en ik heb hem ook nooit zien lachen. Als ik alleen was geweest had ik kunnen verdwijnen, maar met drie kinderen, dat ging gewoon niet. Uiteindelijk zag ik geen andere oplossing dan hem dood te maken.

“Ik besprak het met een vriend met wie ik een verhouding had; die zei dat hij wel aan een schutter kon komen. Hij heeft toen verder alles geregeld. Het contact werd gelegd, maar elke keer als het tijdstip daar was, hield ik mijn man opzettelijk thuis. Dat heeft zo'n anderhalf jaar geduurd. Op een gegeven moment werd het zo absurd, dat ik er met mijn vriend grappen over maakte. Maar erover praten en erover lachen is iets anders dan het doen en het zien. Dat is vreselijk.

“Op een avond dat ik zou gaan werken voelde ik dat er iets in de lucht hing. Om de hoek heb ik de auto stilgezet en na een kwartier ben ik naar huis teruggelopen. Hij was nergens te zien, ik checkte alle slaapkamers en in haar eigen kamertje was hij met ons dochtertje bezig. Ik heb haar opgepakt en zonder een woord te zeggen ben ik de deur uitgelopen. De volgende dag gaf ik mijn fiat en een week later gebeurde het.

“Hij liet iedere avond op een vast tijdstip de honden uit in het park. Die keer ging ik mee. Opeens hoorde ik kort achter elkaar drie schoten. Hij liep nog een heel stuk door, voordat hij neerviel. Er was mij beloofd dat hij direct dood zou zijn, maar hij heeft pijn geleden. Ik ben naar hem toegehold, ik ben bij hem neergeknield en hij heeft nog tegen me gesproken. Wat hij zei, zal ik nooit over mijn lippen kunnen krijgen. Maar mijn voornaamste gedachte was: laat hem in vredesnaam niet doodgaan.

“In paniek heb ik bij het dichtstbijzijnde huis aangebeld. Ik durfde niet naar huis, want ik had de schutter gezien en dat was natuurlijk niet de bedoeling. De periode erna zag ik overal beelden, ik wist niet waar ik naar toe moest met mijn verhaal. Als je man is doodgeschoten, wordt er natuurlijk verwacht dat je treurig bent. Dat was ik ook, maar niet om hem.

“Toen een van de betrokkenen werd opgepakt en is gaan praten, ben ik gepakt. Als ik had gepraat, zou ik ongetwijfeld een minder hoge straf hebben gekregen, maar dan had ik iemand moeten verraden en ik was terecht bang voor represailles op mijn kinderen. Na twee jaar moest er een uitspraak komen, anders hadden ze ons op straat moeten zetten. Al had ik twintig jaar gekregen, dan had ik het nog geaccepteerd. Voor mijn kinderen was ik in de gevangenis beland, die zag ik niet meer en ik wist dat ik hen ook nooit meer zou zien, dus het kon me allemaal niets meer schelen. Een keer toen ik vrij was, ben ik stiekem naar hun school gegaan. Ze zijn alle drie heel groot geworden en heel anders dan ik had verwacht. Ik zou graag met ze willen praten, maar ik weet dat dat een heleboel problemen oproept. In hun ogen ben ik natuurlijk de moordenaar van hun vader.

“Uiteindelijk ben ik de enige die zijn straf heeft uitgezeten. De twee anderen zijn na verloop van tijd vrijgesproken en schadeloos gesteld, omdat het moeilijk was om de bewijslast tegen de schutter rond te krijgen. De zaak is nog steeds onopgelost en hoe het echt is gegaan, zal geen mens ooit van mij horen.

“Vreemd genoeg was de gevangenis voor mij vrijheid; eindelijk kon ik zelf beslissingen nemen. De eerste twee jaar ben ik in mijn cel gebleven en heb ik met bijna niemand gepraat. Ik lag alleen maar op bed, ik had me altijd al alleen gevoeld en nu was ik echt alleen. Het was een soort bevestiging, het enige wat ik dacht was: "Ik zit mijn tijd uit en dan schiet ik mezelf door mijn hoofd.'

“Na vier jaar ontmoette ik tijdens een verlofweekend mijn huidige man. Ik had het nooit meegemaakt, verliefd zijn, maar binnen twee minuten was het bekeken. Ik wilde het niet, er zat geen toekomst in, want ik moest nog drie jaar zitten, maar hij zocht mij op in de gevangenis. Toen het echt serieus werd, schoten bij mij de remmen los. Ik huilde de hele dag, ik spuugde, ik werd broodmager. Alles wat ik die jaren had opgekropt, kwam eruit. Emoties had ik nooit getoond, want dan lopen de mensen over je heen, maar opeens was ik stuurloos.

“Seksualiteit had ik nooit gemist. Ik had er nooit plezier aan beleefd, integendeel, ik vond het smerig. Totdat ik Michiel leerde kennen. Het enige dat je wilt, is bij elkaar zijn en dat kan maar een paar puur per week en dat jaren achtereen. Een keer heb ik een hele week verlof gekregen en die hebben we samen aan zee doorgebracht. Dan denk je, we gaan ervan door, we vluchten naar het buitenland, maar je kunt niet je hele leven blijven vluchten, dus bracht hij me maar weer terug. Tijdens bezoek zonder toezicht in de wipkamer, kregen we altijd extra tijd. Dan klonk de stem door de intercom: "Maak je geen zorgen, we vergeten jullie wel.' Iedereen heeft meegewerkt, van bewakers en directie, tot officier van justitie. Met zijn goedkeuring ben ik uiteindelijk overgeplaatst naar een open psychiatrische inrichting.

“Ik belandde op een afdeling met mensen die geestelijk en lichamelijk waren mishandeld. Eerst dacht ik, wat doe ik hier in vredesnaam, de een is nog gekker dan de ander, maar ik was er op mijn plaats. Die psychiater heeft mij heel goed geholpen en ook aan Michiel dingen kunnen uitleggen, wat ik niet kon. Overdag in de inrichting, 's avonds thuis bij hem, zo heb ik het laatste jaar van mijn straf doorgebracht. Toen knapte ik op. Soms voel ik me schuldig dat het me nu zo goed gaat.

“Natuurlijk heb ik spijt gevoeld voor mijn eerste man, maar het is niet duidelijk of dat komt door wat er is gebeurd, doordat ik de kinderen kwijt ben of dat het om hem gaat. Wel heb ik bepaalde dingen gemist, vooral toen ik net in de gevangenis zat. Hij sloeg, maar hij sterkte me ook. Als ik iets niet durfde of iets niet kon, zei hij altijd: "Dat kun je wel. Jij kunt alles.'

“Toch, als ik er nu op terugkijk, zou ik geen andere oplossing weten. Alleen zou ik dan ook mezelf een kogel door mijn hoofd laten schieten. Niet weer die lijdensweg. Zelf heb ik nooit kunnen schieten, daar ben ik altijd bang voor geweest. Het blijft raar: als je in staat bent een ander mens te doden, is de straf milder dan wanneer je het een ander laat doen. Maar een moordenaar, een crimineel heb ik mijzelf nooit gevoeld.

“Pas nog heb ik samen met Michiel het graf bezocht, om onverklaarbare redenen eigenlijk. Toen ik daar stond kreeg ik een vreemd, onwezenlijk gevoel; ik weet dat hij daar ligt, maar voor mijn gevoel is hij niet dood. Ik heb nog steeds het idee dat ik hem om de volgende hoek kan tegenkomen.”