HAVELIANA I

Zomeroverpeinzingen door Václav Havel 160 blz., De Prom 1992, f 25,-- ISBN 90 6801 328 9

"Ik kan met iedereen goed opschieten, weet mensen te verzoenen en te verenigen en functioneer als een krachtlijm', zo schrijft Václav Havel, ex-president van Tsjechoslowakije en wellicht binnenkort president van de westelijke helft van dat land, op een van de eerste bladzijden van zijn recent verschenen boek Zomeroverpeinzingen.

Het is een vaststelling die op het eerste gezicht behoorlijk aan waarde heeft ingeboet: op 1 januari immers scheiden zich de wegen van de Tsjechen en de Slowaken, ondanks de krachtlijm. Havel heeft al kort na de fluwelen revolutie het gevaar van de breuk onderkend en er sindsdien zonder ophouden tegen gewaarschuwd - zonder daarbij partij te kiezen voor of tegen de Slowaken (al zien de Slowaakse nationalisten dat anders). Zijn waarschuwingen zijn echter genegeerd.

Dat Zomeroverpeinzingen opent met de hierboven aangehaalde vaststelling van Havel tekent direct de zwakte van het boekje: de overpeinzingen - over de samenleving in brede zin: de federatieve staatsvorm, de markteconomie, de buitenlandse politiek en de toekomst - dateren niet van de zomer van dit jaar, maar van die van 1991. Toen moest de "zelfontbranding', zoals Havel het noemde, van de Slowaken nog beginnen en lag de fluwelen scheiding nog in een ver verschiet. Een jaar na dato hebben veel van de overpeinzingen van Havel hun actualiteit verloren.

Daarenboven is de inhoud van het boekje bestemd voor Tsjechische en Slowaakse lezers. Voor Nederlandse lezers zijn Havels opmerkingen over het onderwijssysteem, de gezondheidszorg en de ziektekostenverzekering niet bijzonder interessant. Dat geldt ook voor zijn uitweidingen over de zieke landbouw, de taken van een ""federale Raad' en het parlement, over de functie van een staatsverdrag en over zijn ""vaste geloof' dat fabrieken in de toekomst uit prefab-betonsegmenten zullen worden opgetrokken.

Maar Havel zou Havel niet zijn als hij het daarbij zou laten. Hij is voor alles moralist en filosoof - welke rol hij op een bepaald moment als ""instrument van de tijd', zoals hij schrijft, ook speelt: men kan hem ""komisch of Don-Quichotterig' vinden, hij beschouwt het als zijn plicht ""steeds opnieuw de morele oorsprong van elke werkelijke politiek te benadrukken', zo betoogt hij aan het begin van het ook voor niet-Tsjechoslowaken zeer interessante laatste hoofdstuk van Zomeroverpeinzingen.

In dat hoofdstuk, ""Moraal en politiek', stelt Havel - een Havel op zijn best - de ziekte van de nieuwe, democratische samenleving aan de kaak, de ""bedreigende en haast verblindend zichtbare explosie van alle mogelijke slechte menselijke gewoontes' die na de val van het socialisme uit hun dwangbuis zijn bevrijd. ""In veel opzichten gedraagt de maatschappij zich slechter dan toen ze nog onvrij was', aldus Havel: ""nationale haat en verdachtmakerij, racisme, tekenen van fascisme, goddeloze demagogie, geïntrigeer en welbewust liegen, fanatisme, mafiadom en een algemeen gebrek aan tolerantie, begrip voor de ander, goede smaak, vredelievendheid en verstand domineren.' In de politiek, schrijft hij, ""staat elke handeling in het teken van overspannen machtsverlangen en van de bereidheid om de verwarde kiezer met een bont pakket van aangename nonsens te lokken', en in de economie hebben de leden van de nomenklatoera ""die tot voor kort valselijk voorspiegelden dat het hun ging om sociale rechtvaardigheid, van de ene dag op de andere hun masker afgeworpen en zijn veranderd in een klasse van speculanten en misdadigers'.

De enige manier om die ziekte te bestrijden, meent Havel, is ""in waarheid te leven'. Het was ooit het motto dat hem ertoe bracht als dissident acties op touw te zetten die hem in de gevangenis brachten. Het werd vervolgens de stelregel van de president: hij wilde ook als staatshoofd ""onder alle omstandigheden proberen correct, rechtvaardig, tolerant en begripvol te blijven, onomkoopbaar en oprecht, kortom, uit alle macht en voortdurend trachten in overeenstemming te zijn met mijn geweten en mijn betere ik.'

Het geweten als alpha en omega, ook in de politiek, en zeker in de Oosteuropese politiek: Havel was ook als president een buitenbeentje. Dat hij de voorlopige nederlaag van het gezonde verstand in zijn eigen land zelfs als staatshoofd niet heeft kunnen verhinderen, zegt het een en ander over de ziekte waaraan de landen van het vroegere socialisme lijden.