"Grootste deel zwemmers ging alleen naar Spelen om te gaan'

VRIES, 31 OKT. Zijn eisen logen er niet om, zijn doelstellingen al evenmin. Op naar een gezonder zwemklimaat, met meer geld, schitterende voorzieningen voor toppers en voldoende randvoorwaarden om in Nederland een kweekvijver voor talent te creëren. Dat was 1989. Bijna vier jaar bewandelde hij de weg van de redelijkheid, toonde hij zich een hartstochtelijk voorstander van soepele toelatingsnormen en wilde hij topsporters leiden naar zelfstandigheid. Waar de zweep er over had gemoeten, greep hij hooguit naar een een striemend woord. “Ik ben te redelijk geweest.”

Ton van Klooster was bondscoördinator van de Koninklijke Nederlandse Zwem Bond. En zoals alle bondscoaches in 1989 had hij in zijn achterzak een routekaart waarop de de Olympische Spelen het verste punt waren. Barcelona werd ook het diepste punt. Voor hem het einde van een neergaande spiraal die al lang voor zijn komst was begonnen en die hij niet tot staan heeft weten te brengen. Niet omdat hij te zacht was, maar omdat de fundering waarop hij zijn prestatiemachine wilde plaatsen al was gesloopt voordat hij met bouwen was begonnen.

De buitenwacht zal hém met name blijven herinneren als de man onder wiens verantwoordelijkheid de Nederlandse zwemsport uiteindelijk kopje onder ging. Die kwalificatie laat hij gelaten over zich heen komen. Dan, beseft hij, had hij maar in het tweede jaar al moeten zeggen dat het “mooi was geweest”, toen bleek dat de fraaie beloften van de zwembond loos waren.

Hij is nu docent aan de academie voor lichamelijke opvoeding in Groningen, woont sinds een week in het landelijke Drentse dorpje Vries. Heeft tijd om te praten over de mislukte idealen van een bondscoach. Alleen weinig behoefte. Niet dat hij er als een geknakt mens uit is gekomen. Hij is weerbaarder geworden, heeft geleerd zich te wapenen tegen de valse beeldvorming in media als zou hij een weekdier zijn, niet de krachtpatser die eigenhandig het beleid van een versnipperde bond wist om te draaien. Dat de schitterende resultaten van de vrouwen op het Europese kampioenschap van 1989 in Bonn geen vervolg hebben gekregen, dat kan hij niet helpen.

“In 1988 was Nederland als zwemnatie al op zijn retour. Dat we op de Olympische Spelen nog wel medailles haalden zijn vertekende beelden. De periode van grote bloei lag veel verder terug. Voor mij is het alleen een kwestie van inleveren geweest.” Alleen in 1989 kreeg hij even zijn zin. Van Klooster, de eerste bondscoach sinds de jaren zestig met een fulltime dienstverband bij de KNZB, had een aanvulling op het zwembudget gevraagd voor onder meer betere bondmedische begeleiding, zwemtechnisch onderzoek, buitenlandse trainingsstages en prestatiebeloning voor topzwemmers. Een begrijpelijk verlangen, gelet op de succesvolle lichting met de zusjes Muis en Karin Brienesse. De bond ging akkoord met de verlangens van de voormalige jeugdtrainer en zegde toe op zoek te gaan naar een sponsor om die grootse aanpak te kunnen continueren. Maar de sponsor werd niet gevonden, en al in 1990 verdwenen alle extra's.

Extra's die hij zo nodig had voor een volwaardig beleid. Terwijl de portemonnee van de bondscoördinator steeds leger werd, werd die van de sporters steeds dikker. Het is financieel helemaal niet zo onaantrekkelijk om in het zwemmen aan de top te staan, vindt hij. Vraag, zegt Van Klooster, maar eens aan Marianne Muis of Karin Brienesse waarom ze doorgaan. “Vanwege het geld. Dat is een belangrijke drijfveer voor ze.” Terwijl hij graag had gezien dat financiële tegemoetkomingen juist gekoppeld werden aan prestaties. Ter compensatie van het gebrek aan eerzucht. Eerzucht die hij bij de toppers mist.

“Het grootste deel van deze groep ging naar de Spelen om te gaan. Dat is heel iets anders dan gaan om het hoogst bereikbare te behalen. Het merendeel had minder getraind dan de jaren tevoren. In de voorbereiding op de Spelen zag je bij lactaatmetingen en trainingstesten enorme progressie. Dan weet je dat er in het afgelopen jaar niet hard genoeg is gewerkt. Geen vier uur per dag. En dat zijn waarden die je nodig hebt.”

Je zou het de schuld kunnen noemen van de verrichtingen van de estafetteploeg van het Europese kampioenschap in 1989 en het WK van 1991 in Perth. NOC en zwembond waren het toen al gauw eens over de nominatie van die ploeg voor de Spelen. Ze mochten zich in rust voorbereiden. Het is de wens van elke trainer, maar de pest in de zwemsport. Die ontbeert een intensief, interessant wedstrijdprogramma. Er wordt van het ene grote toernooi naar het andere gewerkt. Gebrek aan competitie. Het schuurt de scherpte van de strijdlust af. Van Klooster zag het langzaam maar zeker misgaan, maar er was ook voor hem geen weg meer terug. Had hij dan soms niet mee moeten gaan, of gewoon een hele ploeg thuis moeten laten die al aangewezen was? Hij ziet de commentaren al voor zich. In de draaikolk van ellende werd de bondscoach meegezogen. Al het andere was verraad geweest.

Was er nu nog maar op nationaal niveau een felle concurrentie, maar zwemsters als Naomi van der Woerd, de Europese jeugdkampioene Kirsten Vlieghuis en Boukje Wiersma zwemmen de gevestigde orde er nog niet uit. Als wapen tegen de vervlakking rest dan alleen het stellen van messcherpe limieten, het creëren van een papieren vijand die verlagen moet worden om naar een groot toernooi te mogen. “Misschien is het toch wel de prikkel die nodig is. Dan moet je er wel mee leren leven dat je met ploegen van slechts vijf, zes man op stap gaat.”

Zelf wilde hij er niet aan. Limieten zijn een jeugdtrauma van Van Klooster. In het na-olympische jaar 1973 won hij zilver op de Universiade in Moskou met een tijd die op het eerstvolgende week goed zou zijn geweest voor een zevende plaats in de finale. De selectiecommissie liet hem thuis. “Ik heb sindsdien altijd de neiging gehad om milde selectienormen te hanteren.” Dat werkt als een groep beschikt over een ijzeren zelfdiscipline, maar die heeft Van Klooster niet aangetroffen.

Terwijl van zijn groep heel wat zwemsters hun sport als hoofdzaak hadden. Zou dat het zijn, denkt hij wel eens. “Er zijn erbij die het doen voor het geld, maar wat moeten ze straks na het zwemmen. Diana van der Plaats, Ellen Elzerman, Karin Brienesse. Ze hebben geen studie afgerond. In het verleden is altijd gebleken dat sport en studie te combineren waren. Waarom deze groep dan niet? Misschien is dát wel de grote verandering die in het zwemmen aan het optreden is. Als je de verhouding student en niet-student vergelijkt met 1984 is het omgekeerd. Als toen zeventig procent studeerde is dat nu dertig. Vroeger bestonden jeugdploegen uit zwemmers en zwemsters met vwo/havo nu vooral lbo/mavo. En er kan een verschil in zitten om te werken met studenten. Die kunnen plannen, kunnen zelfstandiger werken en meer van dat soort zaken.”

Niet dat hij daarin dé verklaring voor de neergang wil zien. Dat heeft de zwembond op het geweten. Een viersporenbeleid voeren, voortdurend schipperen tussen de belangen van waterpoloërs, schoonspringers, kunstzwemmers. Niet echt een sportbond willen zijn. Hij is het gevecht aangegaan, maar zegt: “We hebben de hele grote slag in het zwemmen verloren. Op deze manier doorgaan is vechten voor een verloren zaak. Ook al zullen ze zeggen dat ik ongelijk heb als er volgend jaar op het EK toch weer prestaties worden geleverd. Toch zijn dat incidentele uitschieters en met één winnaar is het zwemmen niet gered.”

    • Peter de Jonge