"Ethiopische joden worden in Israel gewoon vergeten'

HULDA, 31 OKT. De Israelische minister van immigratie, Yair Tsaban, loopt rond met een naar gevoel over de plaatsing van tienduizend Ethiopische joden, falasha's, in enkele geïsoleerde caravan-dorpen. Tijdens een debat in het parlement, de Knesset, sprak hij deze week de hoop uit dat deze zwarte immigranten binnen een paar jaar in flats zullen zijn ondergebracht, zodat ze eindelijk een kans krijgen in de Israelische samenleving te worden opgenomen.

Dr Shalva Weill, één van Israels vooraanstaandste onderzoekers naar de levensgewoonten en aanpassingsproblemen van deze immigranten uit een Derde-wereldland, is ondanks de goede wil van de minister de wanhoop nabij. Ze betwijfelt of de benodigde fondsen op tafel zullen komen om deze falasha's, die sedert mei 1990 in caravans wonen, uit hun isolement te redden. Sedert 1977 zijn in totaal 47.000 Ethiopische joden naar Israel gekomen. Na het aanvankelijke enthousiasme van de Israelische maatschappij voor de nieuwkomers uit het verre Ethiopië is de belangstelling voor deze groep immigranten volgens haar weggeëbt. “Wie kan het nog wat schelen”, zegt ze. “Ze worden gewoon in hun geïsoleerde caravan-dorpen vergeten.”

Dr Weill is bang dat de onverschilligheid van de instanties en burgers tot gevolg zal hebben dat de caravan-dorpen voor de Ethiopiërs nog een lang leven voor de boeg hebben. “Ze moeten zo snel mogelijk worden opgeruimd”, zegt ze. “In die caravan-dorpen is er geen schijn van kans op integratie. Ze leven daar op zichzelf, onder elkaar, ver van de Israelische realiteit”.

Tussen Rehovoth, waar het vermaarde Weizman-instituut staat, en de kibbuts Hulda is zo'n troosteloos aandoende caravan-dorp voor Ethiopische joden uit de grond gestampt, volkomen geïsoleerd van de Israelische omgeving. “Hulda is nog een Hilton-hotel vergeleken bij de andere plaatsen waar de Ethiopiërs in caravans zijn weggestopt”, stelt dr Weill vast. “Ze kunnen vandaar uit tenminste nog met de bus naar Rehovoth om boodschappen te doen. Dat brengt ze nog in contact met onze maatschappij, maar verscheidene caravan-dorpen liggen zo geïsoleerd in de Negev-woestijn dat het gewoon getto's zijn.”

Ethiopische joden in Hulda klagen steen en been over de situatie waarin ze in het "beloofde land' verstrikt zijn geraakt. Hun naam geven ze liever niet, uit angst voor represailles van de Israelische instanties, onder andere de Sohnut, het Joods Agentschap, maar hun frustraties laten ze na een korte kennismaking en het drinken van een kopje kofiie gauw de vrije loop.

“Het is hier gewoon Ethiopië”, zegt er een. “We leven in de marge van de Israelische maatschappij. Net alsof we er niet bijhoren, alsof we vreemdelingen in Israel zijn. Zijn we daarvoor gekomen?” Volgens deze man en anderen willen nogal wat Ethiopische joden terug, hetgeen door dr Weill wordt betwijfeld. “Hoe moeilijk ze het hier ook hebben, hun situatie is oneindig veel beter dan in Ethiopië.”

Tsewes Alomo (26) begrijpt niet hoe de Israelische autoriteiten het in hun hoofd hebben gehaald de Ethiopische joden in zulke akelige afgelegen plaatsen onder te brengen. “Het zou toch veel beter zijn als we vanaf het begin met Israeliërs die al lang in het land zijn zouden samenwonen”, zegt hij. Hij en anderen klagen over de kwaliteit van de caravans, over de piepkleine ruimten voor grote gezinnen, over het ontbreken van winkels en scholen ter plaatse. Met bussen worden de kinderen dagelijks naar scholen tot zelfs in Jeruzalem gereden. Onder de ouderen is de werkloosheid groot. Tsewes heeft echter een paar dagen geleden een baantje gekregen bij het Keren Kayemet dat zich onder andere bezig houdt met de bebossing van Israel.

Honger heerst er niet onder de immigranten uit Ethiopie. Met minimum-lonen voor diegenen die werk hebben gevonden en magere sociale uitkeringen voor de werklozen, weduwen en andere sociale gevallen leven ze volgens de Israelische standaard wel tegen de armoede-grens aan. “We hebben geen geld” is de meest gehoorde klacht.

Helemaal vergeten door de “andere Israeliërs” worden de Ethiopiërs in Hulda niet. Twee jonge orthodoxe joodse jongens, vrijwilligers, zijn bezig om een touw om het caravan-dorp te spannen. Volgens de Talmud (schriftelijke uitleg van joodse leer), die de Ethiopische joden niet kennen, mogen op de joodse rustdag, de sabbat, bepaalde dingen binnen stadsmuren worden gedragen en als er geen muren zijn is een touw ook goed. Aanvankelijk begrepen de Ethiopische joden niets van deze geloofsregel. Het spannen van het touw (eroew) en andere activiteit zijn volgens beide orthodoxe jongeren onderdeel van een uitgekiend plan om de Ethiopische joden de ontwikkeling van de joodse godsdienst sedert de vernietiging van de eerste tempel in Jeruzalem door de Perzen bij te brengen.

De "aanpassing' aan de ontwikkeling van de joodse godsdienst die de falasha's in hun isolement in Ethiopië hebben gemist verloopt niet zonder hoogoplopende religieuze disputen. De geestelijk leiders van de Ethiopische joden, de kesim, leggen zich er niet bij neer dat uitsluitend de rabbijnen in Jeruzalem de wijsheid en kennis van de joodse godsdienst in pacht hebben. Zij zijn trots op hun eeuwenoude religieuze tradities, die afwijken van de orthodoxe beleving van de joodse godsdienst. Hoewel het rabbinaat de Ethiopische joden na lang aarzelen wel tot joden heeft verklaard zijn de spanningen tussen de kesim en de rabbijnen over de interpretatie van de joodse godsdienst nog lang niet opgelost. Door kesim gesloten huwelijken worden door de rabbijnen niet erkend. Dat is een van de vele spanningsvelden tussen de orthodoxie en de Ethiopische joden.

Ondanks deze en andere integratie-problemen ontladen de spanningen in de Ethiopische gemeenschap zich voornamelijk in eigen kring. Zelfmoorden en moordpartijen komen nogal eens voor, maar van agressief gedrag jegens de Israelische buitenwereld is op enkele demonstraties na nog geen sprake.

    • Salomon Bouman