ECHTE BOEVEN

Ze zijn zo lief, meneer; over vrouwenhandelaars, meisjesballetten en de bende van de Miljardair door Chris de Stoop 284 blz., Kritak 1992, f 37,50 ISBN 90 6303 431 8

Sinds enkele jaren houdt de Belgische journalist Chris de Stoop zich onvermoeibaar bezig met de wereld van de vrouwenhandel en de malafide pros-titutie. In 1990 en 1991 verzorgde hij een reeks geruchtmakende artikelen over het onderwerp in het Vlaamse weekblad Knack (naar aanleiding waarvan hij door een verontruste koning Boudewijn op audiëntie werd gevraagd), en onlangs publiceerde hij Ze zijn zo lief, meneer, dat inmiddels in België heeft geleid tot de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie.

Hoofdpersonen in het grondige, vlot geschreven boek zijn de Belgen Marc Verbesselt (alias Dikke Mike), Robert van Engeland en Ferry Vanacker (Kale Ferry), de kopstukken van de Bende van de Miljardair, genoemd naar hun eerste nachtclub in Rotterdam.

De afgelopen zes jaar - zo beschuldigt De Stoop - heeft de bende meer dan drieduizend, voornamelijk Filippijnse vrouwen en meisjes in hun tientallen nachtclubs (verspreid over Rotterdam, Gent en Antwerpen) tewerkgesteld en tot prostitutie gedwongen. Daarbij maakten (en maken) ze gebruik van een internationaal netwerk dat uiterst soepel en professioneel opereert. Onder het voorwendsel van een onbezorgde loopbaan als folkloristisch danseres in Europa, worden de vrouwen op de Filippijnen geronseld, en vervolgens overgevlogen naar het tussenstation Cyprus. Daar komen ze terecht in "balletgroepjes' - luisterend naar veelbelovende namen als het Lady Ann Ballet, Midnight Express, Alpha Omega en Space Ballet - die via diverse impresario's naar het Europese nachtleven worden uitgezonden, voorzien van alle benodigde verblijfs- en artiestenvergunningen.

Als de meisjes eenmaal ontdekken wat er werkelijk van hen wordt verlangd - en dat zijn allerminst folkloristische danspasjes - is het al te laat. De clubeigenaren hebben hun paspoorten en vergunningen in beslag genomen, er is sprake van "kosten en voorschotten' die op terugbetaling wachten, en al snel wordt er gezwaaid met compromitterende foto's van de meisjes die men naar het Filippijnse ouderlijk huis dreigt op te sturen. En dan is er nog de fysieke intimidatie van mensen als Kale Ferry, bijgestaan door een horde kickboksers en bodybuilders.

De uitbuiting, om dat oude en beproefde woord te gebruiken, is grenzeloos, en de verdiensten van de clubeigenaren overeenkomstig groot. Miljoenen gaan er rond in de toplaag van de Rotterdamse bende, miljoenen die met even kwistige als protserige hand worden uitgegeven aan auto's, kleding, heel veel goud (horloges, ringen, halskettingen) en de duurste plaatsen bij een galaconcert van Frank Sinatra.

Los van alle edele (en terechte) verontwaardiging die De Stoop aan den dag legt, biedt zijn boek een intrigerende kijk op de pooiercultuur. Het opscheppen over lichaamskracht en gepleegde gewelddaden, het bijna heilige uitgangspunt dat je over geld en vrouwen nooit ruzie mag maken, en de gespleten houding ten opzichte van de meisjes: minachting en onverschilligheid tot in het absurde, gekoppeld aan een onbekommerd peetvader-gevoel ("Ze zijn zo lief, meneer', zegt een seksbaas in het boek; ook spreekt hij over "een vrolijke kleuterklas' en "gelukkige vogeltjes').

Voorts beschikken de topbonzen over een onwaarschijnlijk, en vanuit zakelijk oogpunt bewonderenswaardig doorzettingsvermogen, zoals de levensgeschiedenis van Marc Verbesselt uitwijst.

Begonnen, op eenentwintig-jarige leeftijd, met een winkelinbraak en een forse gevangenisstraf, weet hij in de jaren zeventig zijn eerste bloeiende keten van seksclubs op te bouwen. Dan volgen veroordelingen wegens geweldpleging en fraude, en de keten wordt failliet verklaard. Ongebroken is hij een jaar later al weer actief als pooier in Zwitserland en Frankrijk. Hij wordt opgepakt en uitgeleverd aan België waar hij nog een straf moest uitzitten. Bij zijn eerste verlof vlucht hij de grens over naar Rotterdam, om daar, volstrekt berooid maar nog steeds ongebroken, in nachtclubs te gaan leuren met vossebont, boa's en doosjes "anti-aids poeder' voor vijfenzeventig gulden. En dan, in 1986, ontmoet hij eindelijk zijn gouden compagnon Van Engeland - een man met een minstens even turbulente achtergrond - en het fundament van de bende is gelegd.

Verbazend, om niet te zeggen verbijsterend (zeker vanuit de slachtoffers geredeneerd) is in het boek de afzijdige rol van de Nederlandse en Belgische overheid. Af en toe duikt er eens een politieagent op, een gemeentebestuurder of een afgezant van de vreemdelingendienst, maar noemenswaardige problemen voor de bende brengt dat niet met zich mee. En als iemand echt lastig wordt, zo beweert De Stoop, dan is er altijd nog wel een geldbedrag of gouden horloge beschikbaar om hem de mond te snoeren. Dezelfde onverschillige houding wordt weerspiegeld in de samenleving, bijvoorbeeld bij het Dijkzigtziekenhuis te Rotterdam dat tot voor kort een speciale (en lucratieve) regeling met de bende had afgesproken over het aborteren van onverhoopt zwanger geworden Filippijnse animeermeisjes.

De Stoop brengt alles in kaart met grote gedrevenheid en kennis van zaken (zo komt dat laatste althans op de lezer over, zeg ik met enige voorzichtigheid). Het boek is gebaseerd op "harde feiten', aldus de flaptekst, en die zijn weer afkomstig uit tientallen gesprekken met betrokkenen uit het milieu, zowel bendeleden als meisjes.

Daarnaast heeft de schrijver zelf speurwerk verricht, wat onder meer de curieuze videofilm opleverde die Robert van Engeland in 1989 liet maken van de dood van zijn vader. Daarin valt uitgebreid te zien hoe Van Engeland, gezeten aan het sterfbed van zijn bewusteloze vader, zijn eveneens aanwezige zestienjarig nichtje Bianca probeert te strikken voor werk in een van zijn seksclubs. De film eindigt met de begrafenis. Van Engeland sprenkelt wat wijwater over het graf en zegt (en je ziet bijna hoe hij de woorden grijnzend uitspreekt): ""Met uw beeld in ons hart vinden wij troost in onze smart'. Een echte klassieke boef.

    • Henk Lagerwaard