Doctor Aljechin nam wel eens een loopje met de waarheid

Het is niet mijn gewoonte om jubilea te gebruiken als aanleiding voor schaakrubrieken, maar dat het vandaag honderd jaar geleden is dat in Moskou Aleksander Aleksandrovitsj Aljechin werd geboren, mag toch niet onopgemerkt voorbij gaan. Voor velen gold en geldt hij als de grootste schaker aller tijden. De personificatie van het schaken zelfs, omdat hij in tegenstelling tot Lasker en Capablanca, de twee wereldkampioenen voor hem, slechts leefde om te kunnen schaken.

In het boek Warriors of the Mind van Keene en Divinsky werd een paar jaar geleden een onzalige poging gedaan om met statistische methoden een ranglijst te maken van de beste schakers aller tijden. Aljechin kwam slechts op de achttiende plaats. Dat feit alleen was voor velen genoeg om te bedenken dat met statistiek de grootste leugens bewezen kunnen worden. Nederland heeft speciale redenen tot dankbaarheid aan Aljechin, omdat hij de uitdaging van Euwe aannam en in 1935 de match om het wereldkampioenschap van hem verloor. Nog steeds glimmen de ogen van oudere schakers als zij vertellen over de adembenemende partijen tussen doctor Euwe en doctor Aljechin die zij hebben mogen bijwonen.

Dr. Aljechin. Zo ondertekende hij zijn brieven en zo stond hij op het titelblad van zijn boeken. Hij was helemaal geen doctor. Zijn collega's wisten dat wel, maar hielden hun mond dicht. Later zijn vruchteloze pogingen gedaan om het proefschrift op te sporen dat hij zogenaamd aan de Sorbonne had ingeleverd, over het strafstelsel in China. Het stond nergens vermeld en schaakhistorici hebben het als een verzinsel van Aljechin beschouwd. In de pas verschenen tweede druk van de prachtige Oxford Companion to Chess, van David Hooper en Kenneth Whyld, staat dat Aljechin toch nog een eind gekomen is met dat proefschrift, hij heeft het alleen niet afgemaakt.

Aan Botwinnik is de uitspraak toegeschreven dat over Aljechin door Kotov en Flohr zoveel is geschreven, dat de waarheid geen kans meer heeft. Hij heeft buiten de geleerde Whyld gerekend, die werkt aan een biografie van Aljechin, die in 1994 moet uitkomen. In de Oxford Companion staat niets over het toch opmerkelijke feit dat Aljechin in de wilde jaren na de Russische revolutie door een tribunaal ter dood zou zijn veroordeeld. Misschien wordt ook dit verhaal, dat door Aljechin in interviews werd verspreid, door Whyld als een verzinsel beschouwd. In sommige versies wordt de vernietiging van het vonnis toegeschreven aan persoonlijk ingrijpen van Trotski, die een schaakliefhebber was.

Brandende waarheidsliefde, daar werd Aljechin niet door gekenmerkt. Hij stierf in 1946 in schande. Niet omdat hij in de oorlog had meegespeeld in de toernooien in het door Duitsland bezette Europa. Dat deden er meer, en het is ze nooit nagehouden. Zelfs de partijen die hij speelde in vriendschappelijke consultatie met de misdadiger dr. Frank, de gouverneur-generaal van Polen, waren hem vergeven. Maar niet de serie artikelen die hij in nazi-tijdschriften had gepubliceerd: "Joods en Arisch schaak. Een psychologische studie, die - gebaseerd op ervaringen aan het schaakbord - het joodse gebrek aan moed en creatieve kracht demonstreert'.

Na de oorlog zei Aljechin dat hij niets met die artikelen te maken had gehad, anderen hadden zijn naam misbruikt. Zijn biograaf Kotov schreef het hem na. De onvermoeibare speurders van de Oxford Companion hebben gevonden dat Aljechin zich in een interview met de Madrileense krant El Alcázar van 3 september 1941 bijzonder trots op die artikelen toonde. Toen Aljechin stierf waren de onderhandelingen over een match met Botwinnik om het wereldkampioenschap met succes afgesloten. Het is goed dat die match niet gespeeld is. Aljechin zou geslacht zijn. In zijn laatste jaren kon hij maar met moeite van zwakke Spaanse en Portugese schakers winnen.

In het boek van Pablo Moran, Agoná de un genio, dat die jaren beschrijft, wordt verteld over een bezoek dat Aljechin een paar maanden voor zijn dood aan een arts bracht. Aljechin moest onmiddellijk stoppen met drinken, anders zou hij binnen een half jaar sterven. En als ik stop? vroeg Aljechin. Dan zou hij nog zeker twee jaar kunnen leven. Aljechin lachte en zei dat het dan de moeite niet waard was.

Na zijn dood wilden de Russen zijn lichaam, als van een verloren zoon, naar de Sovjet-Unie over laten brengen. Zijn weduwe verbood dat. In 1956 werd zijn lichaam uit het Portugese Estoril naar het Parijse kerkhof van Montparnasse gebracht. De wereldschaakbond liet een grafsteen neerzetten met een reliëf van Aljechin aan het bord. "Alexander Aljechin, schaakgenie van Rusland en Frankrijk.' Ik bezocht het graf een keer en terwijl ik me bij de steen liet fotograferen dacht ik aan de triomfantelijke zin van Aljechin, in 1941, dat er waarschijnlijk nooit meer een joodse wereldkampioen zou komen, en aan de joodse wereldkampioenen die er sindsdien geweest zijn, Botwinnik, Tal, Spasski, Fischer, Kasparov. Aljechin was de grote held van Kasparov. Spelen als Aljechin, briljant, hartstochtelijk, dat was zijn doel in zijn jeugd, en het is hem gelukt.

Toen ik het boek weer eens doorbladerde dat misschien Aljechins mooiste is, Mijn beste schaakpartijen 1908-1923, zag ik het volgende diagram.

Zie diagram 1

Wit Aljechin-zwart Hofmeister, Petrograd (St. Petersburg) 1917. Zwart staat een stuk voor, hij dreigt eeuwig schaak te geven en erger nog, snel te winnen met 1...Pe4. Aljechin begon een fantastische combinatie met 1. c4-c5 Later heeft Kotov laten zien dat zwart nu met 1...Te2 had kunnen winnen, maar dat is een onbetekenend schoonheidsvlekje op een schitterend schouwspel. 1...b6-b5 2. a4xb5 Pg3-e4 3. b5-b6 Pe4xd6 4. c5xd6 Een fantastische stelling. Zwart heeft een dame meer, maar kan zich niet redden. Aljechin analyseert verschillende mogelijkheden, o.a. 4...Lc7 5. b7+ Kb8 6. dxc7+ Texc7 7. Txc7 Df4+ 8. Kh1 Dxc7 9. Lh2 Dxh2+ 10. Kxh2 en wit wint het eindspel. 4...Te7-c7 5. b6-b7+ Ka8-b8 6. d6-d7 Dg5-g3+ 7. Kh2-h1 en met trots liet Aljechin de slotstelling afdrukken:

Zie diagram 2

Zwart gaf op. Werkelijk schitterend, net als de vele zijvarianten die Aljechin analyseert en die ik hier niet heb overgenomen.

Maar de schaakliefhebber heeft geleerd om voorzichtig te zijn met partijen van Aljechin. Hij had een neiging tot mystificatie, zelfs in zijn schaakboeken, en er zijn beroemde gevallen waar hij een analyse ten onrechte opvoerde als een werkelijk gespeelde partij. Dit partijfragment tegen een onbekende tegenstander wordt door Aljechin zo aangekondigd: ""Slot van een partij met voorgift, gespeeld te St. Petersburg in december 1917.'' Misschien. Ik twijfel sterk, want het is bijna te mooi om waar te zijn. Misschien is het ook maar een analyse geweest, maar het zou niet geven, want een schitterende analyse is het dan zeker.