Dit jaar naar verwachting bijna 2 miljard dollar aan nieuwe investeringen; China-koorts bevangt Japans bedrijfsleven

Deze week bracht de Japanse keizer een bezoek aan China. Een historische gebeurtenis met niet alleen een politieke, maar ook een economische dimensie. De economische invloed van Japan in de hele Aziatische regio neemt nog altijd toe. Als het aan de Japanners ligt wordt Azië een Japanse "werkplaats' voor de thuismarkt en de markten elders in de wereld. Het vierde en laatste deel in een serie.

PEKING, 31 OKT. Tijdens zijn bezoek aan China heeft de Japanse keizer Akihito niet nagelaten de historische culturele verwantschap tussen de twee landen te onderstrepen, maar tevens heeft hij kunnen constateren dat nergens ter wereld de kloof in economische ontwikkeling tussen twee buurlanden zo diep is als tussen China en Japan. Het Japanse bruto nationaal produkt in 1990 was 3,12 triljoen dollar, dat van China met bijna tien maal zoveel inwoners 338 miljard. Het inkomen van de gemiddelde Japanner is dus 80 tot 90 maal dat van de gemiddelde Chinees.

Als men de geopolitieke positie van beide landen vergelijkt - een klein overbevolkt eilandenrijk zonder grondstoffen en een immens continentaal imperium met een (potentiële) overvloed aan alles - dan is het verbazingwekkend dat de economische integratie van deze twee "incongruente supermachten' niet veel verder gevorderd is. Volgens het in 1991 door de Far Eastern Economic Review gepubliceerde boek Japan in Asia: Economic Impact on the Region bedroeg de omzet van de 18 grootste Japanse bedrijven in China in 1990 slechts 4 tot 6 procent van hun wereldwijde omzet, tegen 30 procent in Zuidoost-Azië. Japan is volgens het bulletin van de JETRO (Japan External Trade Organisation) slechts de vierde investeerder in China, na Hongkong, Taiwan en de VS. Het totaal aan investeringen bedroeg begin dit jaar nog slechts 3,2 miljard dollar, minder dan een kwart van het totaal in Indonesië.

Sinds Deng Xiaopings herlancering van de hervormingen begin dit jaar is het Japanse bedrijfsleven echter door een nieuwe China-koorts bevangen, die zich niet meer alleen op de noordelijke kustgebieden concentreert, maar ook op Shanghai en het achterland van Hongkong, de provincie Guangdong waar de consumentenrevolutie in volle gang is.

Tot voor kort waren de Japanners terughoudend. De redenen waren velerlei: begin jaren tachtig liepen zij een vreselijke kneuzing op met Baoshan, het gigantische staalcomplex bij Shanghai, dat drie keer in schaal werd teruggeschroefd waardoor zo ongeveer de gehele Japanse zware industrie verliezen leed. Verder waren er het zig-zag verloop van het Chinese economische hervormingsproces, het gebrek aan wetgeving, moeilijke arbeidsvoorwaarden, lage kwaliteit van arbeid en vooral de repercussies van het bloedbad van 1989.

Nu temidden van reflecties over de post-Sovjet chaos de wereld inclusief Japan zich ermee heeft verzoend dat het communisme in China nog een aantal jaren zal bestaan en het keizerlijke bezoek de psychologische context van de relatie in gunstige zin heeft veranderd, doemen de visioenen over de optimale complementariteit van beide economieën weer op. Dit jaar zullen er naar verwachting 1,6 tot 2 miljard dollar aan nieuwe investeringen zijn, meer dan de helft van het totaal over de voorgaande 13 jaar. Japanse import betrof eind jaren zeventig, begin jaren tachtig hoofdzakelijk olie, steenkool en landbouwprodukten, China importeerde zware machines, auto's en electronica. Nu bestaat het Japanse importpakket voor een derde uit textiel, vooral donkere Westerse kostuums, die Japanse kleermakers niet meer tegen betaalbare prijzen kunnen produceren. De Chinese export heeft zo'n hoge vlucht genomen dat China vrijwel het enige land ter wereld is dat een omvangrijk handelsoverschot met Japan heeft - 5,6 miljard dollar op een totaal van 23 miljard dollar vorig jaar.

Het tijdstip is aangebroken dat China een export-basis met lage lonen voor de Japanse industrie gaat worden. Japanse investeringen in China concentreerden zich in de beginjaren op infrastructuur. Vóór 1988 stelde Japan 800 miljard yen (circa 6 miljard dollar) aan zachte kredieten beschikbaar voor haven- en spoorwegbouw en in 1988 nog eens 810 miljard yen, die in 1989 tijdelijk werden opgeschort na het Tiananmen-drama.

Na 1990 heeft China Indonesië vervangen als de grootste ontvanger van Japanse hulp, de belangrijkste reden waarom beide landen niet meer van zins zijn een breekpunt van herstelbetalingen voor het Japanse oorlogsoptreden in China te maken. Bezorgd over de stijging in de Chinese defensie-uitgaven, China's periodieke militaire machtsvertoon in de Zuidchinese Zee om zijn dubieuze aanspraken op de atol-eilanden daar kracht bij te zetten en de nietes-welles plannen van China om het Oekraiense vliegdekmoederschip Varyag te kopen, heeft Japan echter het zwaartepunt van de hulp aan China verlegd van infrastructuur naar milieu en huisvesting.

Op het commerciële front regenen de investeringen echter als goud uit de lucht. De noordoostelijke stad Dalian, eertijds onder de namen Dairen/Port Arthur toegangspoort tot Japans vazalstaat Mandsjoekwo, is opnieuw een vrijwel exclusieve Japanse invloedszone. Van de ruim 700 Japanse bedrijven die in China gevestigd zijn, zitten er 219 in Dalian met 660 miljoen dollar aan investeringen.

Een van de nieuwste investeringen is een super-geavanceerde cementfabriek van 180 miljoen dollar, waarvan de rook "recycled' wordt tot energie. Zij is 100 procent milieuvriendelijk, maar staat naast een oud Chinees-Russisch staatsbedrijf, dat zwarte gifwolken sputtert en waar een hele gordel niemandsland aan verschroeide aarde omheen ligt. De fabriek heeft 500 man personeel, terwijl een staatsbedrijf met dezelfde omzet 3.000 arbeiders zou hebben. Sanyo tekende in augustus een joint-venture overeenkomst voor een air-conditioning fabriek van 120 miljoen dollar. Marubeni pachtte onlangs 2,16 km² industrie-park in Dalian en zal die in onderpacht geven aan andere Japanse bedrijven.

De grootste Japanse investering in China zal in de buurt van Dalian in de provincie Liaoning komen. De Japanse concerns Mitsubishi, Mitsui, Marubeni, Nissho Iwai en Sumitomo hebben op 21 oktober met de Chinese staatsbedrijven China Petroleum Corp. en China Petrochemical Corp. een joint-venture getekend voor een petrochemisch complex ter waarde van 4 miljard dollar, ongeveer evenveel als de voorgenomen mammoet-investering van de Koninklijke/Shell Groep in Zuid-China. Japanse bedrijven pompten de eerste helft van dit jaar 150 miljoen dollar in de naburige havenstad Qinhuangdao. Mitsumi investeerde in april 20 miljoen dollar in de nieuwe high-tech zone van Tianjin. Nippon Electronic Corp. zal met Pekings grootste staatsstaalbedrijf Shougang een joint-venture van 213 miljoen dollar beginnen.

Hoe zuidelijker men gaat, hoe minder de Japanse dominatie wordt, maar dit jaar werd Japan de derde investeerder na Hongkong en de VS in Shanghai. De Japanse investeringen in Shanghai weerspiegelen de verwarring over Japanse investeringsstatistieken, want een van de grootste Japanse investeerders is de warenhuis-keten Yaohan, die in 1990 voor zijn grote sprong naar China zijn hoofdkwartier van Tokio naar Hongkong verplaatste. China beschouwt investeringen van dochterondernemingen van Japanse bedrijven in Hongkong niet als Japanse, maar Hongkong-Chinese investeringen, hetgeen de ware omvang van de Japanse rol in China verdoezelt. Op 7 oktober tekende Yaohan een joint venture voor 1.000 warenhuizen in China tegen het jaar 2010. De eerste moeten volgend jaar van start gaan in Shanghai.

Het nieuwste Japanse offensief heeft plaats in Zuid-China, waar sinds kort de provincies Guangdong, Fujian en Hainan, samen met Hongkong en Taiwan als één "Zuid-Chinese Economische Sfeer' worden beschouwd. De Japanse investeringen in Hongkong bedragen 9,9 miljard dollar tegen 6,5 miljard dollar aan Amerikaanse investeringen. Eind september bereisde ex-premier Kaifu met een delegatie van 300 zakenlieden de nieuwe "sfeer'. Hongkong zal de basis voor de proliferatie van Japanse investeringen in Zuid-China worden. In Shenzhen, de speciale economische zone ten noorden van Hongkong, is de levensstandaard al zo hoog dat het luxueuze Japanse warenhuis Seibu er in 1993 een filiaal opent.

De plotselinge escalatie van het Japanse economische offensief in China geeft veel Chinezen het gevoel dat de Japanners nu met vreedzame middelen nastreven wat hen vijftig jaar geleden met militaire middelen niet lukte. Maar Tomozo Morino, directeur-generaal van de JETRO stelde het anders: “China is voor ons wat Rusland is voor Europa. Als er economische chaos uitbreekt (in China) zullen er grote aantallen vluchtelingen zijn.” Met andere woorden: we moeten onszelf beschermen, in plaats van China te helpen, maar het laatste gebeurt toch met als uiteindelijk resultaat dat China een economische juggernaut (een moloch) wordt, die Japan eens zal overvleugelen.