De Zijlstra-norm

VERTROUWDE BEGRIPPEN klinken over het Binnenhof. In de week waarin het tienjarige jubileum van Ruud Lubbers als premier valt, praat Den Haag weer over bezuinigingen. Het is een begrip dat Lubbers nu al drie opeenvolgende kabinetten bezighoudt. Terwijl in het land de stemming sinds 1982 is omgeslagen van verzet naar onverschilligheid, schakelt Lubbers bij iedere nieuwe tegenvaller over op de automatische piloot van ombuigingen binnen de smalle marges van de lastendruk en het financieringstekort.

Eind volgende week moet het kabinet knopen doorhakken in de hervatte besprekingen over de begroting voor 1993. Een week later krijgen de algemene beschouwingen die begin oktober op dit punt in parlementaire vrijblijvendheid eindigden, hun vervolg. Dan kan de Tweede Kamer zich alsnog uitspreken over de hoofdlijnen van het financieel-economische beleid voor volgend jaar. Met de toenemende bezorgdheid over het internationale economische getij en met steeds somberder cijfers over de nationale economie staat het kabinet-Lubbers/Kok voor een kleine herhalingsoefening van de Tussenbalans. In 1991 ging het om de terugdringing van te hoge verwachtingen over nieuw beleid na het begin van het kabinet, in 1993 gaat het om de aanpassing van de overheidsfinanciën aan een verslechterende conjunctuur. De val van het pond, de economische terugval in Duitsland en andere grensoverschrijdende tegenvallers dicteren de jongste aanpassingen van de Haagse boekhouding.

NEDERLAND bezuinigt dus op grond van pech in het buitenland en een binnenlands regeerakkoord waarin afspraken zijn gemaakt over het financieringstekort (3,75 procent van het nationale inkomen in 1993) en de collectieve lastendruk (maximaal 53,6 procent). Deze regels zijn ingegeven door haalbaarheid, niet door inhoudelijke overwegingen. Op de achtergrond speelt de economische en monetaire unie in de EG een rol, die voorwaarden stelt aan de overheidsfinanciën voor landen die willen deelnemen aan een Europese munt tegen het einde van de eeuw. Dat zijn niet meer dan stelregels voor een behoorlijk begrotingsbeleid.

Een beter houvast is welkom, omdat het de mogelijkheid biedt los van de conjuncturele problemen van het moment richting te geven aan de overheidsfinanciën op langere termijn. Maar in Den Haag ontbreekt een visie op de betrekkingen tussen de overheid en de burgers ten aanzien van de verdeling van lasten en lusten.

Dr. Jelle Zijlstra, oud-president van De Nederlandsche Bank, oud-minister van financiën en oud-premier, heeft in dat verband de drie-keer-vijftignorm voorgesteld als vuistregel voor het overheidsbeleid. Volgens Zijlstra moeten de omvang van de staatsschuld, de collectieve uitgaven en het hoogste tarief van de inkomstenbelasting ieder maximaal 50 procent van de nationale economie bedragen. Als de staatsschuld is teruggebracht tot de helft van het bruto nationaal produkt, is de Nederlandse begroting veel minder rente-gevoelig dan nu het geval is. Vermindering van de collectieve uitgaven tot maximaal vijftig procent verruimt de bewegingsvrijheid voor de particuliere sector en legt een beperking op aan de overheidsbemoeienis. Een hoogste belastingtarief van vijftig procent betekent dat mensen met hogere inkomens niet voor meer dan de helft van de tijd ten behoeve van de staatskas werken.

Nederland is nog ver van deze 50-procents-normen af. De staatsschuld ligt op 80, de collectieve uitgaven op 63 en het hoogste belastingtarief op 60 procent. Het gaat dan ook niet om een norm die direct verwezenlijkt moet worden, maar om een richtsnoer voor de toekomst.

IN HET TORENTJE en in de Kamer zal het de komende weken ongetwijfeld gaan over gedetailleerde aanpassingen in de lastendruk, de uitkeringen voor de minima, de loonstijgingen en bezuinigingsposten voor volgend jaar. Dat hoort bij het handwerk van het dagelijkse bestuur van de nationale economie. Ministers en Kamerleden doen er niettemin goed aan om over de jongste uitdraai van het Centraal Planbureau heen te kijken en zich te oriënteren op de richting waarin de overheidsfinanciën zich in de resterende jaren van deze eeuw moeten ontwikkelen. De drie-keer-vijftignorm van Zijlstra is overzichtelijk, handzaam en getuigt van economische nuchterheid. Zij brengt Nederland dichter tot de hoofdstroom van West-Europa en maakt het mogelijk om met een lagere belasting van de burgers tot evenwichtigere verhoudingen tussen het publieke en het particuliere domein te komen. Na tien lange jaren noodgedwongen gerichtheid op de vermindering van het financieringstekort, biedt de drie-keer-vijftignorm een welkom nieuw baken voor een gezond financieel-economisch beleid.