De Engelse schrijfster Sue Townsend: Ik ben geobsedeerd door het klasseverschil

“Het lukt me maar niet om echt nare personages te creëren”, zegt de Engelse schrijfster Sue Townsend, die bekend werd door humoristische boeken over de puber Adrian Mole. Onlangs kwam haar nieuwste roman uit: The Queen and I, over de Engelse koninklijke familie.

Tien jaar geleden was heel Engeland in de ban van een neurotische puber. Kinderen liepen met t-shirts en schooltassen waar het door puistjes geplaagde hoofd van Adrian Mole op stond afgebeeld. Mole's geestelijke moeder was de schrijfster Sue Townsend. Van haar boek The Secret Diary of Adrian Mole gingen wereldwijd zeven miljoen exemplaren over de toonbank. Deze week was de schrijfster in Nederland ter gelegenheid van haar nieuwe roman The Queen and I, over het Engelse koningshuis.

In The Queen and I woont koningin Elizabeth niet langer in Buckingham Palace: op bevel van de republikeinse partij is ze met haar hele familie verhuisd naar de stinkende, vieze volkswijk Hell's Close. Terwijl behulpzame buren Rembrandts en zilveren serviezen uit de vrachtwagen tillen (en andere buren de verhuiswagen van Charles en Diana leegroven), constateert prins Philip dat hij "godverdomme auto's had die groter waren dan dit huis".

Maar niet iedereen ervaart de verandering als negatief. Elizabeths favoriete corgi ontdekt hoe leuk het is om op ratten te jagen. Charles laat een paardestaartje groeien en wijdt zich vol overgave aan zijn tuin. Ook de koningin handhaaft zich zonder al te veel problemen in de nieuwe omgeving. En haar moeder floreert in de piepkleine aanleunwoning met Meals-on-Wheels.

“Het lag min of meer voor de hand dat ik eens zou schrijven over de koninklijke familie”, zegt Sue Townsend in het Amsterdamse American Hotel. “Ik ben geobsedeerd door klasseverschil. Al mijn boeken gaan over arm versus rijk. Kijk maar naar Adrian Mole, overduidelijk het kind van working-class ouders. Coventry, de heldin uit Rebuilding Coventry, ontsnapt uit haar benauwde milieu door naar Londen te vluchten. Er is natuurlijk geen grotere tegenstelling mogelijk dan tussen de koninklijke familie en de mensen die in Hell's Close wonen.”

Toch lijken ze het goed met elkaar te kunnen vinden.

“Ja, maar nu is de koningin als buurvrouw ook wel iets heel bijzonders. Die mensen hebben jarenlang haar hoofd op een enveloppe geplakt. Ik denk trouwens ook dat arme mensen aardiger zijn, toleranter. Ik ben zelf een kind van arme ouders. Voordat Adrian Mole een succes werd heb ik moeten schnabbelen om rond te komen. Ik had honderdenéén kleine baantjes, tankbediende, encyclopedieverkoopster, noem het maar op. Rijk werd je er niet van. Ik ben ook nog eventjes maatschappelijk werkster geweest, in buurten als Hell's Close. Daar ben ik me gaan realiseren dat mensen, alle mensen zowel goed als slecht zijn. Zelfs in de allerarmste wijken van een stad vind je mannen maar vooral vrouwen die leiding geven. Hele gewone mensen die voor iedereen klaarstaan in tijden van nood. Zulke individuën dragen een gemeenschap.”

Armoede maakt sterk.

“Ja...maar aan de andere kant zie je dat de laatste jaren zelfs de meest primaire gedragsregels worden geschonden. In The Queen and I zegt een vader - zelf een professionele inbreker - tegen zijn zonen: "You don't shit on your own path". Maar dat is precies wat nu wel gebeurd. De solidariteit is verdwenen. Jongens die arme, oude omaatjes beroven. Dat was twintig jaar geleden echt ondenkbaar.”

Townsend is inmiddels bezig aan een nieuw boek over Adrian Mole (nu volwassen en nog steeds naïef), maar wil daarna een roman of toneelstuk over een crimineel schrijven. “Dat zinnetje 'You don't shit on your own path' blijft maar door mijn hoofd malen. Daar ga ik nog iets mee doen.”

In één adem noemt ze Dostojevski, een auteur die ze bewondert omdat hij op een eenvoudige manier over grote, universele thema's als goed en kwaad kan schrijven. “Ik schrijf zelf ook over ernstige onderwerpen maar mijn stijl is komisch. Dat werkt nogal verhullend.”

U bent een moralistisch schrijver?

“Oh ja, ik hoop van wel. De boodschap van dit boek is natuurlijk dat koningen en koninginnen ook maar gewone mensen zijn. Toen ik een jaar of twaalf was wist ik opeens dat er geen god bestond en ook geen boven de mensen verheven vorsten. Dat was een treurige ontdekking. 's Avonds lag ik verward in mijn bed en dacht: de wereld is maar gewoon de wereld, zonder systeem en dan voelde ik me heel erg klein. Voor dat besef is de overtuiging in de plaats gekomen dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun bestaan. Een koningshuis is geen excuus.”

Toch behandelt u de koninklijke familie mild in The Queen and I.

“Ik kan niet anders. Het lukt me maar niet om echt nare personages te creëren. Maar Philip en Lady Di komen er toch niet zo best af in de roman? Ik heb twee jaar research gedaan voor The Queen and I, alle boeken en roddelbladen gelezen, gepraat met bedienden van de Royal Family en het is me niet gelukt om ook maar iets aardigs aan Philip te ontdekken.”

Uw persagent is ook de persagent van prins Charles. Denkt u dat iemand van de koninklijke familie uw boek gelezen heeft?

“Een wederzijdse vriend heeft het in ieder geval aan prins Andrew gegeven maar ik moet zeggen; het interesseert me niet zo. Hoewel, als ik eerlijk ben: ik schrok me dood toen ik vlak na de publikatie Lady Di tegen het lijf liep in een sjieke modezaak. Die avond ervoor was ik op de televisie geweest. Ik dacht, stel je voor dat ze het gelezen heeft, dat ze me herkent. In een reflex dook ik met m'n neus tussen de klerenrekken, mezelf vergeefs ernstig toesprekend dat de prinses ook maar een gewone winkelende mevrouw was.”

En, herkende ze u ?

“Geen idee, ik ben de winkel uitgerend.”

De populaire schrijfster Barbara Cartland noemde uw boek smakeloos. Vooral het hoofdstuk waarin de koningin-moeder sterft vond ze beneden peil.

“Toen ik dit boek schreef wist ik al dat er veel mensen over me heen zouden vallen. Maar ach, Barbara Cartland...” Townsend lacht. “Ik heb de Queen-mother toch een fatsoenlijke begrafenis gegeven? Bovendien, er moet altijd iemand dood in mijn boeken. Such is life.”

    • Marieke Smithuis