Boris Spasski was in 1972 een zaak van staatsbelang

MOSKOU, 31 OKT. Met angst en beven hebben de politieke leiders van de Sovjet Unie twintig jaar geleden toegeleefd naar de match tussen Boris Spasski en Bobby Fischer. Alle zeilen werden bijgezet om te voorkomen dat Fischer op IJsland de hegemonie van het communistische schaken zou doorbreken. Maar veel vertrouwen in zichzelf hadden de sovjet-bonzen niet. Spasski leed in hun ogen namelijk aan een karakterologisch defect.

Die persoonlijkheid van Boris Spasski was in dat voorjaar van 1972 een zaak van staatsbelang. Niet alleen het "regeringscomité voor lichamelijke opvoeding en sport' hield zich ermee bezig. Ook het centraal comité bemoeide zich ermee, zo blijkt uit documenten die de krant Izvestia heeft opgeduikeld in de archieven van de CPSU.

Wat was er aan de hand? In die hoogtijdagen van partijleider Leonid Brezjnev begon het de autoriteiten op te vallen dat ze veel schakers niet onder controle hadden, sportief noch ideologisch. Toen Mark Taimanov na zijn dramatische nederlaag tegen Bobby Fischer in de kwartfinales (0-6) in Moskou terugkeerde, trof de douane van het vliegveld Sjeremetjevo bijvoorbeeld geen schuldbewuste verliezer maar een man die van de gelegenheid gebruik maakte om ideologische en materiële contrabande binnen te smokkelen: het boek In de eerste cirkel van Aleksandr Solzjenitsyn en elfhonderd Hollandse guldens. Taimanov had dat geld meegekregen van FIDE-voorzitter Max Euwe. Het was weliswaar niet voor Taimanov zelf maar het honorarium voor een artikel dat collega Flor had geschreven, maar het noopte toch tot nadenken.

Het incident drukte de partijfuctionarissen namelijk met de neus op andere feiten. Want wat bleek uit het “partijdossier” dat over Spasski was aangelegd? Dat de wereldkampioen “gelovig” was en een “mercantilist” bovendien. Een man, kortom, die vond dat hij te weinig verdiende. Tijdens een toernooi in Rostov-aan-de-Don had Spasski zich erover beklaagd dat hij in het Westen maar liefst vijfduizend dollar aan prijzengeld had verdiend waarvan hij in eigen land slechts tweeduizend roebel had mogen overhouden. Officieel was de roebel toen nog ongeveer vier gulden, de feitelijke waarde van de sovjet-munt was in die dagen echter veel lager. Hoe sneller je je roebels kom omzetten in goederen, hoe beter, was ook toen het algemene gedragspatroon. Niemand minder dan de Rostovse eerste secretaris Ilja Bondarenko had dit in oktober 1971 aan het centraal comité overgebriefd.

Er was echter geen weg terug. Spasski was en bleef nu eenmaal regerend wereldkampioen. Op verzoek van het staatscomité voor de sport werden er daarom gelden vrij gemaakt om Spasski toch optimaal voor te bereiden op de wereldkampioenschappen. Hij mocht in een datsja gaan wonen, kreeg een hele staf met secondanten toegewezen, een bibliotheek met meer dan vijfhonderd partijen van Fischer alsmede een “adviesraad” met collega-grootmeesters als Botwinnik, Smislov, Petrosjan en Tal. “Aan alle noodzakelijke voorwaarden voor een succesvol optreden van kameraad Spasski is voldaan”, concludeerde de propaganda-afdeling van het centraal comité aan de vooravond van het treffen in Reykjavik tevreden.

Het pakte, zoals bekend, anders uit. Ten eerste omdat Spasski bleef weigeren zich “publiekelijk uit te spreken over het gedrag van Fischer en Euwe”, de twee mannen in wie het sportcomité complotteurs tegen het schaakimperium der Sovjet Unie zag. De sportfunctionarissen vermoedden dat Spasski bang voor hen was, zo schreef het aan het centraal comité. Vervolgens verloor Spasski de match in Reykjavik ook nog eens met 8½ tegen 12½.

De wraak van de CPSU volgde zes jaar later. In april 1978 werd Spasski uit het nationale schaakteam gezet. Formeel omdat hij inmiddels met een Francaise was getrouwd. Maar zijn verzoek een jaar later om een permanent in- en uitreisvisum te krijgen, werd in 1979 ook nog eens op het één na hoogste niveau afgewezen: een beslissing van de afdeling-propaganda van het centraal comité.

    • Hubert Smeets