Boeken in Engeland; DE GESEL VAN HET POSTMODERNISME

"Heeft u het laatste boek van X gelezen?'' vraagt tijdens een borrel de ene gast aan de andere, waarop het antwoord luidt, ""ja, maar niet persoonlijk''. Miklos Gines, schrijvend in Das Magazin, de bijlage van de Berner Zeitung en Tages-Anzeiger in Zürich, gebruikte deze anekdote in een stukje dat werd overgenomen in het Europees supplement van The Guardian. Hij wilde ermee demonstreren hoe we van cultuur "werk' maken waarvoor we steeds minder tijd weten uit te trekken. Ondertussen spelen de media met hun hoogontwikkelde "hype' benadering in op ons gevoel voortdurend dingen te missen als we er niet in slagen van alles wat kunst of cultuur wordt genoemd een stukje te lezen, te horen of te zien. Een goed boek is het enige dat ons in deze hektische tijden kan redden, beweert Gines.

Het stukje van Gines vormt een luchthartige bijdrage aan een nogal zwaarwichtig en weinig origineel literair debat dat zich in de afgelopen zomer in Engeland ontwikkelde rond kunst, cultuur en het postmodernisme. Overigens was het wereldnieuws in deze periode van dien aard dat elk min of meer filosofisch getint debat dat niet over zeer fundamentele vragen ging, wel frivool moest lijken.

ELITAIR

De conclusie van Gines over de rol van het boek in de moderne cultuur is ook terug te vinden in een slecht geargumenteerd artikel van Robert McCrum, directeur bij uitgeverij Faber & Faber, in The Guardian van 23 mei. McCrum beklaagt zich over de verwording van de cultuur in deze tijd waarin van het ministerie voor culturele zaken het ministerie voor het nationale erfdeel - National Heritage - is gemaakt. Zelfs het woord cultuur wordt nauwelijks meer getolereerd, stelt hij verbitterd vast. Uiteindelijk, meent hij, valt niet te definiëren wat nu echt "cultuur' vormt, maar we herkennen het als we het tegen komen, net zoals we een goed boek weten te herkennen...

De filmcriticus, romanschrijver en essayist Gilbert Adair waagt zich aan een stoutmoediger maar niet minder circulaire definitie in zijn verzamelde essays The Post-Modernist Always Rings Twice: reflections on culture in the 90s (Fourth Estate, 1992): ""Cultuur begint in feite waar kunst ophoudt en eindigt waar kunst begint.'' Het lijkt erop dat hij hiermee op postmodernistische wijze de cultuur naar het domein van het massapubliek verwijst, terwijl de kunst aan de intellectuelen blijft toebehoren.

Dat de Modernisten zich al even elitair opstelden als de postmodernisten ten opzichte van het grote publiek, demonstreert John Carey, hoogleraar in de Engelse letterkunde aan de Universiteit van Oxford en bekend criticus, in een in juli verschenen studie.

Er is nu al een pocketuitgave te krijgen van The Intellectuals and the Masses: pride and prejudice among the literary intelligentsia 1880-1939 (Faber & Faber, 1992), dat veel consternatie verwekte in literaire en academische kringen. Carey beweert dat modernistische schrijvers zoals Virginia Woolf en Cliva Bell, T. S. Eliot, E. M. Forster and D. H. Law-rence, bedreigd als ze zich voelden door de bevolkingsgroei en de toenemende geletterdheid van die groeiende bevolking, zich lieten inspireren door de ideeën van Nietzsche en van Ortega y Gasset.

Ortega y Gasset had immers geschreven dat het tot de essentiële functies van de moderne kunst behoorde om het publiek in twee kampen te verdelen: zij die het wel en zij die het niet begrepen. Die houding zou nog veel alarmerender worden bij H. G. Wells en Wyndham Lewis en culmineren in Hitlers theorieën. In zijn "nawoord' concludeert Carey dat de literatuurkritiek van Derrida en Barthes een nieuwe poging behelst van de intellectuelen om afstand te scheppen tussen zichzelf en de grote massa.

SPLEEN

Mocht dat grote publiek zich aan de afkeer van der modernisten niets gelegen hebben laten liggen, met postmodernisme ligt dit anders. Deze zomer was er zelfs sprake van een kleine volksopstand en een poging tot doodverklaring. ""Bewildered Guardian Readers'' reageerden met ingezonden brieven op een cursus van de Open Universiteit over ""our post-modern society'' Understanding modern societies en de vier bijbehorende boeken (Polity Press, 1992).

In de rubriek "spleen' - haat en nijd - in The Observer verklaarde Simon Hattenstone dat het lezen van enkele boeken over het postmodernisme hem ervan overtuigd hadden dat geen enkele van de schrijvers precies wist of het nou over een concept, een stijl, een stroming, een historische periode of een economische fase ging. Een ding was duidelijk: ""post-modernism is a con''. De lezer wordt voor de gek gehouden. Net zoals de anti-modernisten in Professor Carey een bondgenoot vonden, wierp zich tenminste één academicus op als strijder tegen het post-modernisme.

In zijn boek Post-modernism, Reason and Religion (Routledge 1992) beschuldigt de sociaal antropoloog Ernest Gellner, hoogleraar aan de Universiteit van Cambridge, het merendeel van de postmodernistische schrijvers van het produceren van "meta twaddle', meta-gewouwel. Tegenover de beperkte invloed op eigentijdse denkpatronen van een handvol postmodernistische intellectuelen, plaatst Gellner het veel grotere bereik van het rationalisme en van het religieus fundamentalisme. Diezelfde vergelijking wordt vanuit een islamitisch gezichtspunt gemaakt door Akbar Ahmed in het tegelijkertijd en bij dezelfde uitgave verschenen Post-Modernism and Islam (Routledge, 1992).

RECENSENTEN

Ondertussen blijft John Carey de best betaalde recensent in dit land, die jaarlijks voor een stuk of twaalf boekbesprekingen in de Sunday Times zo'n twintigduizend pond verdient. Hoewel Careys eigen werk daar duidelijk geen aanleiding toe geeft, ontwikkelde deze krant onlangs een ethische gedragscode voor recensenten, omdat men bepaalde aantijgingen van nepotisme in de literaire kritiek bijzonder serieus had opgenomen. Om onbevooroordeelde besprekingen te garanderen moeten potentiële recensenten nu eerst vijf vragen beantwoorden. Bijvoorbeeld: kennen ze de auteur? Delen ze soms dezelfde uitgever? Publiceren ze op hetzelfde gebied?

Blake Morrison, literair redacteur van The Independent on Sunday vroeg zich in die krant naar aanleiding van deze ontwikkelingen af of het feit dat hij over hetzelfde onderwerp had geschreven waarover een door hem te recenseren boek handelde, van hem nu een deskundige of een verdachte maakte: ""suspect or expert''? Volgens hem is er duidelijk ook behoefte aan een gedragscode voor uitgevers, die hen er bijvoorbeeld van zou moeten weerhouden om op de omslag van een nog niet gerecenseerd boek van die fraaie aanbevelingen van literaire vrienden af te drukken. En die een eind aan de situatie zou maken waarin minder dan een kwart van alle boekbesprekingen van vrouwen afkomstig zijn.

Autobiografen, biografen en zij die deze vorm van nonfictie bespreken, schijnen minder moeite te hebben met het hekelen van vrienden, kennissen en collega's dan degenen die zich op fictie concentreren. In zijn wekelijkse rubriek in The Times schreef Bernard Levin over de op dat moment nog niet gepubliceerde biografie Jesus (Sinclair-Stevenson, 1992) van A. N. Wilson: ""Het is me er alleen om te doen mr. Wilson te beledigen.'' Levins stukje verschijnt deze maand in een verzamelbundel If you want my opinion (Jonathan Cape, 1992) onder de titel "Would Christ like A. N. Wilson?' Van Bernard Levin zijn verder geen recensies van dit ondertussen op de bestsellerlijst verschenen boek te verwachten, zelfs niet in de Sunday Times.

BIOGRAFIEËN

De onderwaardering van de Britten voor schrijvers van eigen bodem blijkt uit hun voorliefde voor biografieën, zei onlangs Carmen Callil, directrice van uitgeverij Chatto & Windus, in een interview in The Guardian. Wat doen de Engelsen terwijl andere Europeanen hun schrijvers eren - de Duitsers lezen Grass en de Fransen Yourcenar - ""They spit upon them.'' Toch schijnt in de afgelopen maanden de hele boekhandel aan één enkele biografie het leven te danken te hebben.

Van Diana, her true story (M. O'Mara, 1992) - deze week op de vierde plaats op de bestsellerlijst - zijn in drie maanden tijds meer exemplaren verkocht dan van A Brief History of Time van Stephen Hawking, dat al vier jaar op de bestsellerlijst staat. De waarde van de in juli van dit jaar verkochte boeken lag twintig procent hoger dan in dezelfde periode in 1991, dankzij de verkoopcijfers voor dit boek.

Sinds 4 oktober verschijnt in The Observer een wekelijkse rubriek van de dichter Andrew Motion, wiens biografie van Philip Larkin begin 1993 gepubliceerd wordt. In "Last Word' beschrijft Motion wat er over bepaalde boeken gezegd wordt, zonder zich verder in de inhoud te verdiepen. Deze opdracht komt in grote lijnen overeen met de bedoeling van deze rubriek in het Zaterdags Boekenbijvoegsel over het buitenlandse boekenaanbod. Het gaat om stukken die verbanden leggen maar geen oordelen vellen, iets wat typerend is voor het post-modernisme, althans volgens Gilbert Adair. Zou Adairs uitspraak dat ""culture has become quality gossip'' ook van toepassing kunnen zijn?