Alleen topclubs kunnen exotische verzekering afsluiten; Voetbal gevaarlijker dan bouwvak

ROTTERDAM, 24 OKT. Frank Arnesen (PSV), Rob de Wit (Ajax), Jan Mulder (Ajax), Steve Wasiman (Feyenoord), Ronald Lengkeek (Sparta), Bas van Noortwijk (FC Utrecht). Ook voetballers kunnen arbeidsongeschikt worden. Misschien is hun kans wel groter dan bij bouwvakkers of vuilnismannen of andere bekende risicogroepen. Mooi thema voor een studiescriptie, zegt Arnold van Gastel, van Van Gastel & Stibbe, makelaars in assurantiën en specialist in sportverzekeringen.

Ieder seizoen worden er wel tien spelers afgekeurd, schat Karel Jansen, voorzitter van de VVCS, de voetballersvakbond. Tien op een totaal van ruim 900.000 arbeidsongeschikten. Macro-economisch kruimelwerk. Maar wel tien op een beroepsgroep van ruim 700 mensen. De kans dat een speler zijn loopbaan niet afmaakt is grofweg een op zes.

Wat gebeurt er met Romario als hij nooit meer kan spelen? Na een sluipende ziekte of een goedgeplaatste schop? Dan heeft hij recht op een WAO-uitkering. Net zoals werknemers in andere bedrijfstakken. Tel uit je winst.

Maar die steun is gebonden aan een jaarlijks maximum van ruim 55.000 gulden, misschien eentwintigste van Romario's jaarsalaris. En anders dan bij al die andere loonslaven stopt een WAO-uitkering bij een voetballer als hij 35 is. Arbeidsongeschiktheid betekent voor de beter betaalde prof een forse financiële terugslag. Voor de club is het verdwijnen van zo'n speler kostbaar kapitaalverlies.

Sommige clubs en sommige spelers dekken zich in tegen dit soort rampen. De club wil een gelijkwaardige vervanger kunnen kopen. En de speler wil dat zijn inkomensontwikkeling door een afkeuring niet al te rigoureus wordt beïnvloed. Dus sluiten ze een "transferwaardeverzekering'.

Dat is een vrij exotische verzekering, waardoor ze bijna ondermijdelijk terecht komen bij Lloyd's in Londen, 's werelds grootste verzekeringsbeurs. Dat gebeurt via "brokers', makelaars in assurantiën zoals Van Gastel & Stibbe. Zij brengen de risco's onder bij de "underwriters', de Lloyd's assuradeuren. Er zijn maar zes van zulke firma's die aan sportverzekeringen doen.

Maar de wereldmarkt voor zulke verzekeringen is ook uiterst bescheiden, zegt Van Gastel. Engeland, Duitsland, Italië, Spanje, Nederland. Dat zijn de landen waar voetballers op grote schaal tegen afkeuring worden beschermd. In een land als België - “een andere wereld” - stuit de transferwaardeverzekering alleen op “onbegrip”.

Ook in Nederland is dat vangnet nog lang geen gemeengoed. Van de ruim 700 contractspelers is maar eenvierde door de clubs verzekerd. Tussen de 120 en 150 spelers hebben zelf een verzekering afgesloten. Bij beide groepen gaat het meestal om dezelfde profs. Pogingen van de VVCS om te komen tot een collectieve transferwaardeverzekering voor de hele bedrijfstak zijn gestuit op een categorisch veto van de FBO, de werkgeversorganisatie. Daarbij spelen financiële overwegingen een rol, maar vooral privébelangen, meent Karel Jansen. “De meeste clubs werken liever met hun eigen verzekeringsmaatschappij.”

Voetballers in de eerste divisie zijn zelden verzekerd, niet individueel en ook niet door hun club. Waarom zouden ze ook? Ze hebben meestal maar een beperkte marktwaarde en hun inkomsten uit het voetbal zijn toch zelden hoog. In een andere baan kunnen ze net zoveel verdienen. Daarbij geldt voor zowel spelers als clubs dat ze toch al weinig financiële slagkracht hebben. Om nog eens extra verzekeringspremie af te dragen, die luxe is voor hen niet weggelegd.

Die luxe permitteren zich eigenlijk alleen de Nederlandse topclubs. Zij verzekeren ruimhartig al hun contractspelers tegen het risico van nooit meer kunnen spelen. Waarbij de verzekerde bedragen sterk variëren. Volgens manager Kees Ploegsma is PSV voor 40 tot 50 miljoen gulden aan transferwaarde verzekerd. Daarvan neemt Romario alleen al 15 miljoen gulden voor zijn rekening. Ook individueel heeft een aantal PSV'ers zich verzekerd. Alleen Romario al voor 3 miljoen.

Over de noodzaak van zo'n individuele verzekering wordt ook in kringen van topvoetballers heel verschillend gedacht. Bob Heerkens, zaakwaarnemer van Gerald Vanenburg, ziet er het nut niet van in. Ja, misschien in de vroege zomer van iemands carrière, met een grote transfer in het vooruitzicht of als een speler net voor een doorbraak staat. Maar niet bij jeugdige talenten, want die hebben toch nog geen hoge levensstandaard die zo nodig gewaarborgd moet worden. En ook niet bij gearriveerde spelers. Die hebben wel andere manieren om hun toekomst veilig te stellen: via langdurige contracten of lijfrenteverzekering.

Daarbij zijn de premie's voor zo'n transferwaardeverzekering “waanzinnig hoog”, vindt Heerkens. Terwijl de polis steeds wordt bijgesteld, afhankelijk van de medische historie van een speler. Een voetballer die net een zware operatie aan zijn rechterknie heeft ondergaan, kan erop rekenen dat het risico van beroepsongeschiktheid als gevolg van een manco aan zijn rechterknie wordt uitgesloten. Willy van de Kerkhof zei in de nadagen van zijn carrière dat zijn oren nog de enige lichaamsdelen waren die door de verzekering werden gedekt.

Maar Ger Lagendijk, zaakwaarnemer van talloze spelers, gelooft wel in het nut van een transferwaardeverzekering, ook bij de best verdienende vedetten. “Stel dat Ronald Koeman morgen zijn achillespezen afknapt. Dan mist hij toch een aantal jaren forse waarde. Als dat risico met een verzekering gecompenseerd kan worden, is dat de moeite altijd waard.”

Buiten de topclubs vindt de transferwaardeverzekering maar beperkte aftrek. De belangrijkste redenen blijken uit een rondvraag van drie jaar geleden: de premie is te hoog, de club heeft er geen geld voor. De spelers vertegenwoordigen nauwelijks clubkapitaal.

Als die betaald voetbalorganisaties al een uitzondering maken, dan is het voor de sterspeler, of voor de veelbelovende jonge voetballer die ze ooit voor veel geld hopen te slijten. Dat geldt zeker als zo'n speler voor het Nederlands elftal of Jong Oranje wordt uitverkoren. Voor wedstrijden van vertegenwoordigende elftallen zijn voetballers door de KNVB trouwens automatisch verzekerd voor één miljoen gulden. Een verplichting van de Europese voetbalbond.

Lugt Sobbe & Co, specialist in bijzondere verzekeringen, heeft vroeger nog spelers als Cruijff en Keizer tegen beroepsongeschiktheid verzekerd. Maar de Amsterdamse firma is ermee opgehouden, omdat directeur-eigenaar H.B. van Ommen jr. de transferwaardeverzekering een onding, een wangedrocht vindt. Van Ommen jr. - zijn vader, grootvader en overgrootvader zaten ook al in het bedrijf - geldt binnen de assurantiewereld als oproerkraaier en vernieuwer omdat hij zich sterk afzet tegen "inferieure' en achterhaalde verzekeringsvormen, die vaak wijdverbreid zijn, zoals de WAO.

De transferwaardeverzekering leidt in de praktijk veel te vaak tot problemen, zegt Van Ommen. Wanneer is een speler ongeschikt voor het betaald voetbal? En komt dat door een botsing of slijtage? Heeft hij bij de jaarlijkse keuring wel alle informatie over behandelingen en blessures verstrekt? Eindeloze onderzoeken en procedures en conflicten, die de verzekering nog eens extra kostbaar maken. Wat weer misbruik bevordert, meent Van Ommen. Want als je zoveel premie betaalt hebt, wil je ooit ook iets terug.

Van Gastel kan zich voor een belangrijk deel vinden in die lezing van zijn collega. De transferwaardeverzekering is gecompliceerd en ze is arbeidsintensief en ze kan tot touwtrekken leiden. Maar in dat licht bezien is de premie eigenlijk nog verbijsterend laag, vindt Van Gastel: 1250 gulden per jaar per 100.000 gulden dekking. En een aantal spelers die voor het betaald voetbal afgekeurd werden, kwam ze toch maar heel goed van pas.

    • Dick Wittenberg