Aantal rampenplannen neemt toe, maar geoefend wordt er niet; Vaak hebben muizen de kabel van de noodlijn aangevreten

Steeds meer gemeenten beschikken over een rampenplan. Maar vaak is dit plan een papieren tijger. Vooral de situatie in gemeenten met gevaarlijke industrieën baart zorgen.

ROTTERDAM, 31 OKT. Na de aardbeving in Roermond op 13 april bepaalde minister Dales dat alle gemeenten vanaf 1 november over een rampenplan moeten beschikken. Volgens mr. P.I.M. van den Wijngaart, teamleider van het Ondersteuningsteam Planvorming Rampenbestrijding, heeft nu meer dan negentig procent van de gemeenten zo'n plan.

“Maar het beeld uit de media dat alles is geregeld als een gemeente een rampenplan heeft, klopt niet”, zegt ing. M.M. Belonje, commandant van de regionale Brandweer Noordoost Noord-Brabant. “Je kunt het beter omkeren: als er geen plan is loopt het slechter. Het rampenplan dient om gestructureerd te werken: wie moet wat waar doen en hoe breng je dat proces op gang.”

Rampenplannen moeten worden onderbouwd met draaiboeken. Gemeenten met een verhoogde risicofactor dienen over specifieke rampenbestrijdingsplannen te beschikken. Verhoogd risico wordt met name afgemeten aan de situatie op industrieterreinen. In de gevaarlijkste categorie spreken de deskundigen van "post-Sevesobedrijven', naar het rampzalige Italiaanse stadje waarover in 1976 een gifwolk met het kankerverwekkende dioxine trok.

De maatregelen in het rampenplan moeten door de gemeenten in oefeningen worden getoetst, geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Volgens teamleider Van den Wijngaart van het Ondersteuningsteam Planvorming Rampenbestrijding bestaan nogal wat rampenplannen uitsluitend op papier. “Er zijn gemeenten die zich hebben beperkt tot het kopiëren van het plan van een buurgemeente”, zegt hij.

Toch hebben ook veel gemeenten positief gereageerd op de door minister Dales geuite wens. Zo hadden in Zuid-Holland bij een telling in mei veertig gemeenten nog geen rampenplan. Deze week bleek dat aantal teruggebracht tot 21 op een totaal van 95 gemeenten, een percentage van 22. Landelijk is dat 10 procent.

Beleidsmedewerker E.G.S. Kal van het kabinet van de commissaris van de koningin in Zuid-Holland wijt de achterstand aan "de wet van de remmende voorsprong': voor de invoering van de nieuwe wetgeving liep de provincie jarenlang voorop op dit terrein.

Zorgwekkender vindt Kal de landelijke situatie rond de post-Sevesobedrijven, waarvan er in Nederland tachtig zijn. In de Rijnmond met zijn grote concentratie van gevaarlijke industrieën is de paraatheid groot, maar elders ontbreken vaak de rampenbestrijdingsplannen. “Voor het opstellen van die plannen moeten ingewikkelde risico's worden gekwantificeerd”, zegt Kal. “Je mag niet verwachten dat kleinere gemeenten daarvoor zijn geëquipeerd.

Het jaar 1992 kende heel wat calamiteiten: een F-16 die neerstortte in Hengelo, de aardbeving van Roermond, een explosie bij Cindu in Uithoorn, de El Al Boeing op de Bijlmer. “Maar het leereffect blijkt niet erg hoog”, zegt Van der Wijngaart.

Rampenbestrijding scoort niet op de bestuurlijke agenda. Deskundigen als Van der Wijngaart en Belonje noemen het risicobewustzijn van gemeenten laag. Politie, brandweer en Gemeentelijke Gezondheidsdienst zijn voor hun taak berekend. Maar het is de vraag of dat ook geldt voor gemeentelijke diensten die niet gewend zijn te functioneren bij calamiteiten en daarop in veel gevallen in het geheel niet zijn voorbereid.

“Het landelijk telefoonnet is snel overbelast”, geeft Belonje een voorbeeld. “Daarom wordt er via een nationaal noodnet gewerkt. Maar ik durf te voorspellen dat als het uur U daar is, niemand weet in welke kast de bijpassende telefoon staat. En als de noodlijn eindigt in de kelder van een gemeentehuis is de kans groot dat muizen de kabel hebben aangevreten.”

De desinteresse van gemeenten komt volgens Belonje nogal eens aan het licht als bij oefeningen blijkt dat er geen alarmeringsschema bestaat. “Dan kun je alleen maar hopen dat de ramp op maandagochtend rond elf uur begint, als alle betrokkenen op hun werk zijn”, zegt hij. “Een rampenplan wordt vaak door de gemeente ingevuld en dan diep opgeborgen. Wij willen het wel met ze oefenen, maar de regionale brandweer heeft bij rampenbestrijding niet meer dan een coördinerende taak. Als een gemeente niks doet, houdt het op.”

Volgens Belonje is het rampenplan bij gemeenten een zaak die een ambtenaar “er even bij doet”. “Ik weet een gemeente waar de secretaresse van de burgemeester die taak heeft”, zegt hij. “Dan komt je dus niet verder dan een blaadje kopiëren of een telefoonnummer wijzigen. Maar wat gebeurt er op het moment dat ergens een paar honderd geëvacueerde mensen moeten worden ondergebracht? Ik ken tal van rampenplannen waarin je het antwoord op die vraag niet kunt vinden.”

Volgens de wet moeten de provincies toezien op de kwaliteit van rampenplannen. Van der Wijngaart noemt dat onbegonnen werk. “In Brabant heb je 131 gemeenten. Daarvan kun je niet alle rampenplannen uitgebreid toetsen op kwaliteit.” De houding van veel gemeenten noemt hij "een puur verdringingsproces'. “Het zal zo'n vaart niet lopen, is de benadering. Zoals mensen het onderhoud aan hun auto uitstellen omdat ze hun geld aan andere zaken willen uitgeven.”

Burgemeester W. Sizoo van Klundert, tot zijn vijftigste jaar officier bij de marine, meent dat de rampenbestrijding in Nederland net zo ver is als de NAVO-samenwerking in 1952. “De oefeningen waren altijd een puinhoop, vooral op het terrein van de verbindingen. Het heeft achttien jaar geduurd voor alle landen dezelfde doctrines, oefenboeken en verbindingsplannen hadden.”

Na deze opmerking klinkt vanachter het bureau van de burgemeester een schrille en doordringende pieptoon. “Dat zijn van die kleine dingetjes”, zegt Sizoo tevreden. “Iedere veertien dagen laat ik even controleren of mijn pieper nog werkt.” Als de stilte is weergekeerd draait hij een telefoonnummer en meldt dat het in orde is.

Klundert, een gemeente met 6600 inwoners, verkeert in een bijzondere positie als het gaat om rampenbestrijding. De kleine gemeente beheert tachtig procent van het immense industrieterein Moerdijk (de rest valt onder de gemeente Zevenbergen). Shell-Chemie en Chemie Pak op dat industrieterrein zijn post-Sowesobedrijven.

Volgens Sizoo bestaat er desondanks bij een ramp geen gevaar voor de bevolking. “Het industrieterrein is goed aangelegd, met een brede groenzone eromheen”, zegt hij. “Ik vraag mij zelfs af in hoeverre wij als gemeente nog een rampenbestrijdingsplan voor post-Sevesobedrijven moeten opstellen.”

Het industrieterrein Moerdijk grenst aan de noordkant aan het Hollands Diep, waar veel LPG-tankers door varen. “Ook bij een ramp daar loopt de gemeente geen gevaar”, zegt Sizoo, “behalve dat je misschien gifwolken krijgt.”

De gemeente heeft vrijwillige brandweerkorpsen in Moerdijk en Klundert. De geoefenheid daarvan is volgens Sizoo vooral te danken aan de "overheidstotaaloefening' die Shell om de twee jaar organiseert. De bedrijfsbrandweer, zijn korpsen maar ook het Rode Kruis en de EHBO doen daaraan mee. “Op zo'n dag zitten we op schoot bij Shell, zegt hij. “Brood, koffie, borreltje na afloop, alles is prima geregeld. De deelnemers krijgen allemaal een pen mee naar huis, Shell doet het ook een beetje voor de PR.”

Bij rampen op het industrieterrein wordt een commandopost ingericht in een vergadercentrum ter plaatse. De post beschikt over radiotelefonieverbindingen met politie en brandweer, een eigen telefooncentrale en radiozendapparatuur. “Het eerste dat ik moet doen bij een ramp is de mensen via de radio inlichten en dat ieder half uur herhalen”, aldus Sizoo. “Dat moet de burgemeester zelf doen, want dat geeft vertrouwen.”

Ook bij rampen in de stad wil Sizoo ter plaatse over een commandopost kunnen beschikken. Klundert heeft een rampenplan, maar geoefend met het plan heeft Sizoo nog nooit. “Dat is een keer gebeurd onder mijn voorganger en dat werd een reuze puinhoop. In de commandopost op het industrieterrein heb ik te maken met beroepsmensen van brandweer, politie en GGD. Maar als ik hier in de stad een oefening houd, moet ik werken met ambtenaren die mentaal helemaal niet zijn ingespeeld op rampen. Je kunt plannen in de kast hebben, maar ambtenaren lopen daar omheen. Ze hebben er geen zin in. Daarom ben ik van plan om voor ik in 1994 met pensioen ga, ook in de stad nog eens een oefening te houden.”