Wonder

Van Nero wordt geen goeds gezegd:

Heel Rome werd door hem geknecht,

Bij vioolspel in de as gelegd -

Hij bleef er rustig onder.

Hij trok zijn zuster bij haar vlecht,

Toch was hij zeer aan haar gehecht.

Zijn slechtheid was een wonder,

Ja, hij was wonderslecht.

Een visser op het Skagerrak,

Rookte zijn leven lang tabak;

Aan zijn gezondheid had hij lak,

Toch werd hij steeds gezonder;

En in zijn Zaterdagse pak

Verzucht hij: ach, wat ben ik zwak,

Mijn zwakheid is een wonder,

Ja, ik ben wonderzwak.

De druiven van de Zuidermuur,

Fijngewreven boven 't vuur,

Gedrenkt in suiker uur na uur,

Het was een hoop gedonder.

Toch bleef het als azijn zo zuur;

Van kommen etste 't het glazuur,

Die zuurte was een wonder,

Ja, het was wonderzuur.

    • Rudy Kousbroek