Waar is de zaal met verboden werken? In de kelders van het Radistsjev Museum in Saratov

Het Radistsjev Museum in Saratov is een van de oudste musea van Rusland. Het moet een behoorlijke verzameling avant-garde kunst bezitten. Maar waar is die? En waar zijn de schilderijen uit de socialistisch-realistische periode? De conservator: “Het museum kreeg brieven van de regering met de opdracht dat schilderijen zonder esthetische waarde weg moesten.”

In de Duitse Straat in Saratov is een galerie voor moderne kunst gevestigd, de enige van de stad. Er zijn twee zalen. In de achterste hangen Dali-imitaties van Pavel Pernisov, maar die probeert de verkoper me niet aan te smeren. In de voorste zaal zijn roestvrijstalen pannen, oranje plastic emmers en mixers uitgestald. De verkoper probeert mij te interesseren voor een lamp met wuivende plastic haren die van kleur kunnen verschieten, zoals in Nederland in de jaren zeventig populair was.

Saratov staat bekend als een kunstminnende stad. Deze reputatie heeft zij vooral te danken aan het Radistsjev Museum, dat niet ver van de Duitse Straat een negentiende-eeuws bakstenen huis met Corinthische zuilen bewoont. Op de begane grond is nu een expositie van recent werk van schilders uit stad en ommelanden te zien. Ik zie bomen, bloemen, kopjes, flessen en gezichten; fletse landschappen, stillevens en portretten. Niets verraadt de rijke geschiedenis van de Russische schilderkunst. Sporen van het socialistisch realisme ontbreken. Ook de vindingen van de avant-garde uit het begin van de eeuw laten zich niet herkennen. Maar de schilders die hier nu exposeren hebben het werk van de avant-garde, in ieder geval in dit museum nooit kunnen zien.

Op De Grote Utopie, de tentoonstelling over de Russische avant-garde die deze zomer in het Stedelijk Museum in Amsterdam te zien was, hingen, net als op de meeste tentoonstellingen in het Westen sinds de perestrojka, voornamelijk werken uit de twee belangrijkste musea van Russische kunst, de Tretjakov Galerie in Moskou en het Russisch Museum in Sint Petersburg. Maar de organisatoren van De Grote Utopie hadden het daar deze keer niet bij gelaten. Er waren ook werken uit Vladivostok, Alma Ata, Krasnojarsk en andere provinciesteden te zien.

Van het Radistsjev Museum in Saratov leende De Grote Utopie werken van Kazimir Malevitsj, Aleksandra Ekster, Vladimir Baranov-Rossiné, Valentin Joestitski en David Zagoskin. Een museum dat Vier vierkanten van Malevitsj en Constructie met grammofoonplaten van Zagoskin kan uitlenen zal nog wel meer werken van de avant-garde bezitten, dacht ik. Maar toen was ik nog nooit in Saratov geweest.

Het Radistsjev Museum is een van de oudste musea van Rusland. Het ging in 1885 open voor publiek, niet veel later dan de Tretjakov Galerie in Moskou. Het museum werd in 1877 gesticht door de landschapsschilder Aleksej Bogoljoebov. Hij was een kleinzoon van de schrijver Aleksandr Radistsjev, volgens Karel van het Reve een politiek "linkse', maar literair ouderwetse figuur, waarschijnlijk de reden waarom het museum nooit van naam heeft hoeven veranderen. Het museum was in het begin niet alleen aan beeldende kunst gewijd; er werden ook manuscripten van Poesjkin en Gogol bewaard, evenals ethnografica. Maar de collectie binnen- en buitenlandse beeldende kunst werd al snel het belangrijkst. Naast Bogoljoebov schonken ook andere verzamelaars, onder wie Pavel Tretjakov, schilderijen aan het museum. Ook uit de kelders van de Hermitage en andere paleizen van de tsaar kwamen eind vorige eeuw werken naar Saratov. De leerlingen van de kunstacademie in Saratov, onder wie Viktor Borisov-Moesatov, en Pavel Koeznetsov kregen in het museum les van de Italiaan Baracci.

De permanente collectie Russische kunst hangt nu in chronologische volgorde op de eerste verdieping, een reeks zalen rondom een gietijzeren trap. In de eerste zaal hangen dus iconen, dan komen de zeventiende- en achttiende-eeuwse portretten, onder anderen van Borovikovski en Rokotov. De erezaal is voor de negentiende eeuw, met op de ereplaats Ilja Repins portret van zijn dochtertje Nadja. Repin is samen met zijn collega-peredvizjniki ("rondtrekkenden') altijd beschouwd als de voorloper van het socialistisch realisme. Op iets minder mooie plaatsen hangt het werk van de groep Mir Iskoestva (Wereld van de kunst). Natuurlijk is Aleksandr Benois met een schilderij van Versailles vertegenwoordigd. Vooral van Nikolaj Roerich bezit het museum mooi werk: onder andere een decorontwerp voor Stravinski's ballet Le Sacre du Printemps uit 1911. Hierna volgt een zaaltje met een bloempot van Aleksandr Koeprin, een strandscène van Aristarch Lentoelov, een stilleven van Ilja Masjkov en een landschap en van Robert Falk, alle van voor 1917. Dan houdt het op; de iconen beginnen weer.

Remont

In Moskou en Petersburg hangt de avant-garde uit het begin van deze eeuw alweer een paar jaar op zaal, al is van veel musea de afdeling twintigste eeuw nu in "remont' (reparatie). Zouden de zeven werken uitgeleend aan De Grote Utopie de enige werken zijn van deze avant-garde die het Radistsjev Museum bezit? Maar ook socialistisch-realistische kunst hangt nergens. De afdeling Sovjetkunst is opgeheven. Ik vraag om een onderhoud met de directeur, maar die heeft het te druk. De onderdirecteur, Nadjezjda Gavrilova, vertelt waarom. Het museum, dat nu maar tien procent van zijn collectie kan tonen, krijgt er van de Russische regering een gebouw bij. Volgens Gavrilova kan het nieuwe gebouw uitstekend dienst doen als museum: het staat tegenover het huidige gebouw, is ook voorzien van zuilen én er was tot anderhalf jaar geleden een Hoge Partijschool in gevestigd. In het district Saratov hebben al zeven Partijgebouwen een culturele bestemming gekregen.

Maar de partij geeft zich, hoewel ze formeel niet meer bestaat, in dit geval niet zo makkelijk gewonnen. De school werkt nog, al worden er nu geen partijfunctionarissen meer opgeleid maar ambtenaren en managers. Al maanden probeert het museum zijn intrek in de school te nemen. 's Middags leidt V. Fokin van het museum me er rond. V. Toldonov, directeur van de school, neemt het al snel van hem over. Nonchalant verbreekt hij de zegels die het museum gisteren voor de zoveelste keer op de deuren van de collegezalen heeft laten aanbrengen. Toldonov en Fokin keuvelen gemoedelijk met elkaar en met de politie die de school bewaakt. Toldonov: “Wij willen het gebouw best verlaten als dat van de rechter moet, maar langzaam, op een beschaafde manier.” Dat de school met nog maar 200 leerlingen in Saratov nog een gebouw bezit, doet niet terzake.

Schaapje

Een dag later kom ik terug voor een bezoek aan de kelders van het museum. Er staan kasten en tafels en kandelaars en spiegels, maar geen schilderijen, laat staan werken van de avant-garde. “Die hebben we niet,” zegt conservator Ljoedmilla Michailova. “Alles is op De Grote Utopie.” Maar uit catalogi van het museum uit de jaren tien en twintig die in de bibliotheek bewaard worden, blijkt dat er meer moet zijn. Uiteindelijk komen er twee werken tevoorschijn, een tekening van Tatlin uit 1910 en Schaapje van David Zagoskin uit 1922, een schaap van zwarte verf op een verder door Zagoskin onbeschilderd gelaten icoonpaneel.

Veel werk van de avant-garde is in de jaren veertig en vijftig vernietigd, zegt Michailova. “Het museum kreeg brieven van de regering met de opdracht dat schilderijen zonder esthetische waarde weg moesten. De meeste werden weggegooid of kwamen terecht in particuliere verzamelingen. Wat we nu nog over hebben is te danken aan conservator N. Obalenskova. Zij gehoorzaamde niet. Ze schreef de avant-gardeschilderijen en -constructies over op een andere inventarislijst, van meubels en voorwerpen die niet tot de kunst behoren. Zo hebben ze het overleefd. Pas in de jaren zeventig zijn ze weer tevoorschijn gekomen. Ze werden toen gebruikt bij lessen op kunstacademies - om te laten zien hoe het niet moest. Toen we onze avant-gardewerken begonnen uit te lenen voor tentoonstellingen in het westen, mochten we ze hier in het museum nog steeds niet laten zien.”

Michailova zegt dat het museum ook nu niet van plan is de werken in het museum te tonen. De Malevitsj, de Eksters, de Joestitski's en de Zagoskins zijn al voor jaren geboekt voor tentoonstellingen in het westen. De werken staan ook nog steeds op de verkeerde lijst. “De situatie hier is nog lang niet niet stabiel,” vindt Michailova. Ik vraag haar of ze het niet zonde vindt dat deze schilderijen, nu ze eindelijk getoond kúnnen worden, nog steeds niet voor het Saratovse publiek te zien zijn. Maar Michailova is blij met de belangstelling uit het westen. “De werken, die meestal in zeer slechte staat verkeren, worden daar gerestaureerd, iets waar wij geen geld voor hebben.” Het museum ontvangt ook harde valuta voor het uitlenen van de schilderijen, de medewerkers krijgen bovendien de kans reizen naar het westen te maken.

Vorig jaar trof de socialistisch-realistische schilderijen hetzelfde lot als de avant-garde in de jaren dertig. Ze verdwenen naar de kelder, al werden ze gelukkig niet vernietigd. Michailova wil het eerst niet toegeven, maar haar assistente vertelt dat er in het museum een galerij van Sovjetkunst was, waarop schilderijen over vrouwelijke asfaltmakers en andere scènes uit het leven van Sovjetarbeiders moesten worden getoond. Deze expositie op de begane grond is vorig jaar ontruimd. Nu hangt er buitenlandse kunst uit vorige eeuwen.

Geconfisqueerd

De collectie van het Radistsjev Museum bestaat nu uit 15.000 werken, waaronder bijna 3000 Russische schilderijen. De meesten zijn na 1917 verworven. Het museum kreeg vlak na de revolutie veel schilderijen uit door de staat geconfisqueerde particuliere verzamelingen, vertelt Nadjezjda Gavrilova. In een catalogus van het museum uit 1984 staat bij elk afgebeeld schilderij de herkomst uitgebreid vermeld. Het portret van majoor Zagrazjski door Fjodor Rokotov uit 1760 kreeg het museum bij voorbeeld in 1926 van het Nationaal Museum Fonds uit de verzameling van prins S.M. Golitsyn. Zelfs de naam van het landgoed van de prins staat erbij: Koezminski. Een Romeins landschap van Fjodor Matvejev uit 1810 kreeg het museum in 1928 uit het Aleksandr Paleis in Tsjarkoje Selo, het dorp van de tsaar (nu Poesjkin, vlakbij Sint Petersburg). Ook veel buitenlandse kunst verwierf het museum op deze manier. Een tekening van dansende kunstenmakers van Tiepolo kreeg het museum in 1922 uit de verzameling van Orlov-Davidov. In 1918 verwierf de schilder Aleksej Kravtsjenko, net benoemd tot conservator van het museum, schilderijen van Borisov-Moesatov en Karel Dujardin.

Moderne kunst kocht en kreeg het museum zelf of het werd haar gestuurd door het door Rodtsjenko geleide Museum Bureau van IZO Narkompros (Afdeling Beeldende Kunst van het Volkscommissariaat van Educatie) en door het eerder genoemde Nationale Museum Fonds. Uit het boekje Kroniek van het kunstleven in Saratov 1877-1980 blijkt dat het museum in 1925 bij voorbeeld werk van de futuristische dichter/schilder David Boerljoek en de constructiviste Aleksandra Ekster binnen kreeg.

Begin jaren twintig organiseerden Proletkult en enkele constructivisten exposities in het museum, blijkt uit de Kroniek. In maart 1920 was er een expositie ter ere van de vijftigste verjaardag van de Parijse commune, in mei 1922 een tentoonstelling van kunstenaars tegen de hongersnood. Aan de titels van de tentoonstellingen in de Kroniek is meestal niet af te lezen wat er op te zien was. Alleen in de jaren veertig spreken de titels weer even. Augustus 1941: "Het heroïsche verleden van het Russische volk in de beeldende kunst'. Augustus 1942: "De grote patriottische oorlog van het Sovjetvolk tegen Hitlers imperialisme'. Maart 1943: Verkooptentoonstelling ten behoeve van het Rode Leger. De namen van de exposanten worden na 1928 voor mij steeds onbekender.

De avant-gardewerken uit de jaren twintig die in de Kroniek worden genoemd, zouden later kunnen zijn vernietigd, zoals conservator Ljoedmilla Michailova beweert. Maar uit het dit jaar in Rusland verschenen boek De onbekende Russische avant-garde in musea en privéverzamelingen van A.D. Sarabjanov blijkt dat dit niet het geval is. In Saratov is veel meer te zien dan Michailovna en Gavrilova hebben willen toegeven. Er staan in dit boek nog zeventien werken uit het Radistsjev Museum afgebeeld. Stoomboten in Petersburg bij voorbeeld, een schilderijtje dat er uitziet als een collage van Aleksandr Gritsjenko uit 1917. Landschap met weg, expressionistisch rood en geel van Iosif Sjkolnik uit 1910. Er staan werken in het boek waarvan ik niet meer kan zien dat ze ooit tot de avant-garde gehoord hebben, zoals een op Cézanne geïnspireerd stilleven met appels, een fles wijn en een karaf met een absurd lange, smalle hals van Aleksander Sjevtsjenko uit 1919. Maar de Russen kijken daar misschien anders tegenaan. Toen ik het regionaal museum in Petrozavodsk had bezocht, vroeg iemand hoe mij de zaal met verboden werken, die daar pas sinds kort weer hingen, was bevallen. Maar mij was geen verschil met de andere zalen opgevallen.

Soms is wel duidelijk dat een werk de grenzen van de Sovjetesthetiek overschrijdt, zoals in een lief abstract werkje over de kleur groen van Boris Ender uit 1919.

Fragiel

In een boekhandel in Petersburg merk ik dat Michailova nog iets was vergeten. Volgens haar bezat het museum maar één werk van Malevitsj en dat was op De Grote Utopie. Maar in een oude Duitse catalogus staat nog een werk afgebeeld, de ongedateerde collage Stadje. Twee weken later ga ik weer naar het museum en vraag naar de collage. Het werkje is zo fragiel dat ik het bijna niet durf vast te houden. Het meet zeventieneneenhalf bij zeventien centimeter. Malevitsj knipte huisjes aan de oever van een baai onder een gouden lucht. De rook uit de schoorstenen lijkt op slierten witte bloemen met nog wittere harten. Boven de baai hangen roodomrande wolken, die rood weerspiegelen in het water. Zouden de schilders van de recente genrestukjes die nu op de begane grond van het museum exposeren, dit niet willen zien?

Op de bovenverdieping van het Radistsjev Museum zijn inmiddels twee zalen ontruimd. Er vielen stukken kalk uit het plafond. Het museum is aan reparatie toe. De verhuizing van een deel van de collectie naar het gebouw van de partijschool is nog steeds niet in zicht. De Wolga Kader School wil niet wijken. Van een compromis wil het museum niets weten. Ik vraag Michailova en Gravilova nog een keer wat het museum als het zover is in de dependance gaat tonen. In de dependance komt een afdeling met kunst uit de regio en daar zal dus alleen plaats zijn voor avant-garde kunstenaars die hier geboren zijn of gewoond hebben. De werken van Malevitsj, Ender, Ekster en hun collega's van wie wij de namen niet eens weten zullen dus in het westen en in het depot blijven.

    • Bianca Stigter