Stokkende gesprekken in koninklijke ruimtes; Openingstentoonstelling Paleis Lange Voorhout in Den Haag

Aan de meloenoranje en zeegroene muren van Paleis Lange Voorhout in Den Haag hing Rudi Fuchs en stijlen om ze met elkaar te laten converseren. Zijn favorieten Baselitz, Lüpertz, Penck, Gilbert & George en Kounellis praten met werk van Canova, De Chirico en Hendrik Goltzius. Maar de conversatie is lang niet altijd te verstaan.

Museum Paleis Lange Voorhout, Lange Voorhout 74, Den Haag. "Het Interieur', openingstentoonstelling t/m 24 jan. Samenstelling: Rudi Fuchs en John Sillevis. Di. t/m zo 10-17u.

Er is een beproefde regel in de kunst van de binnenhuisdecoratie die zegt dat in kamers op het zuiden koele kleuren gebruikt moeten worden en in kamers op het noorden warme kleuren. Tegen deze regel is bij de herinrichting van Paleis Lange Voorhout gezondigd. De wanden van de zaal rechts naast de entree, waar koningin Beatrix tot voor kort haar ambassadeurs placht te ontvangen, zijn dieproze geverfd. De gevel ligt op het zuiden en op deze mooie herfstdag schijnt de zon uitbundig naar binnen. Het roze gloeit tussen de vergulde omlijstingen. De Ambassadeurszaal heeft in haar nieuwe gedaante iets hoerigs.

Rossig hangt het licht tussen de kunstvoorwerpen. Het verhevigt de bronstonen van de monumentale Wagenmaker van Herman Kruyder en brengt de grafsculpturen uit de Chinese Tang-dynastie tot leven. Het maakt de Burgers van Florence van Markus Lüpertz, bizarre, bronzen narrenkoppen vol uitstulpsels en vlekkerig beschilderd met paars, roze en gifgroen, nog theatraler dan ze al zijn. Hoogtepunt van deze barokke mise-en-scène is de duizelingwekkende val van de Lapithenkoning Ixion, geschilderd door de Hollandse maniërist Cornelis van Haarlem (1562-1638). Ixion werd, toen hij zich aan Hera wilde vergrijpen, door Zeus voor straf op een vurig rad in de onderwereld gebonden.

De aangrenzende, aan de noordkant gelegen zaal is zeegroen. Het ijskoude licht streelt het marmer van Canova's Venere Italica (1815). Venus heeft zich zojuist gebaad en bedekt zich met een doek. Haar lichaam welft zich in een elegante arabesk. Op een laat negentiende-eeuws, neoclassicistisch schilderij van Puvis de Chavannes houdt een in kil grijswit geklede Salomé triomferend een schaal omhoog in afwachting van het hoofd van Johannes de Doper.

De kleuren van de wanden, van meloenoranje en fuchsiaroze tot hemelsblauw en lindegroen, zijn vrij lukraak gekozen. Toen vormgever en decorateur Walter Nikkels zijn keuze moest bepalen, was het binnen donker omdat alle luiken voor de ramen gesloten waren.

Bij de vervaardiging van een nieuwe vloer is daarentegen niets aan het toeval overgelaten. De Amerikaanse minimal-beeldhouwer Donald Judd ontwierp een fraaie lichte houten vloer waarin een geometrisch, Mondriaan-achtig raster in twee donkerder houtsoorten is aangebracht. De donkere banen leggen een verbinding tussen de tentoonstellingszalen.

Rudi Fuchs spreekt overigens liever niet van een tentoonstelling, maar van de "inrichting' van een "huis'. Het is zijn eerste experiment met het tot museum verbouwde paleis, dat de gemeente Den Haag enkele jaren geleden kocht van prinses Juliana en dat nu fungeert als dependance van het Gemeentemuseum.

Ironie

Paleis is een groot woord. De balzaal heeft de afmetingen van een ruime huiskamer met serre. Meer dan deftig schuifelen is hier onmogelijk. Aan de Amsterdamse Herengracht zijn huizen te vinden die groter zijn dan het pand aan het Lange Voorhout. Dat het bedrag van viereneenhalf miljoen gulden dat de gemeente betaalde voor een gebouw dat een culturele, niet winstgevende bestemming moest krijgen, een "welwillende' prijs zou zijn, moet dan ook beschouwd worden als een vorm van lichte ironie. Juliana wenste ook nog dat er in het paleis niet uitsluitend hedendaagse kunst zou worden getoond.

Een paleis werd het gebouw pas toen prins Hendrik het in 1845 van baron Verstolk van Soelen overnam. Tot op dat moment stond het bekend als het "Hôtel van Hope'; het was in 1796 gekocht door Archibald Hope, lid van de beroemde bankiersfamilie. Architect Pieter de Swart bouwde het huis is 1764 voor Anthony Patras. Het is een prachtig voorbeeld van Hollands neo-classicisme. Gevel en interieur zijn strikt symmetrisch. De strenge pilastergevel, met in de breedte zeven raampartijen, heeft een middenrisaliet over drie vensters, bekroond door een strak, wit fronton. Het enige frivole element aan dit elegant geproportioneerde ontwerp is het goudkleurige balkonhek op de bel-etage.

Het hart van het huis is een wijde, vierkante wenteltrap waarboven een vierkante lichtkoepel van glas-in-lood oprijst. In de lichtkoepel hing de Italiaanse arte povera-artiest Luciano Fabro twee draperieën in oranje en groen die de letters A R vormen; naar verluidt is Ar afkomstig uit het Sanskriet, het oudste bekende woord voor kunst. De associatie met een oranje sjerp die zich in deze context opdringt is toevallig. Fabro is van de traditie van de oranje sjerp niet op de hoogte.

Om de wenteltrap heen zijn de toegangshal en de salons gegroepeerd. De houten gebeeldhouwde lijsten en stuc-decoraties zijn goed geconserveerd. De spiegels zijn gevat in fijne eierlijstjes, guirlandes en rozetten. Hier en daar is de decoratie uitbundiger en neigt naar rococo. Op de tweede verdieping zijn zeventiende-eeuwse, barokke schouwen te bewonderen. Ze werden overgebracht uit het Huis Fagel door koningin Emma, die zeer gehecht was aan het paleis, het als haar winterverblijf gebruikte en er na haar dood opgebaard lag in de hal (net als na haar prinses Wilhelmina),

Bij de restauratie is, afgezien van de kleuren voor de muren, terughoudendheid betracht. Zo is het donkergroen met goud voor de trap, deuren en lambrizeringen gelaten als het was. Het was de opzet om het burgerlijke, intieme karakter van het huis te bewaren en dat is gelukt.

Fuchs vat de tentoonstelling op als een eerste kennismaking met de mogelijkheden van het stadpaleisje. In niet meer dan twee weken had hij de inrichting voor elkaar. Het werd niet precies wat hij gedacht had. Door geldgebrek is hij, naar zijn zeggen, aangewezen op bruiklenen. Voor tentoonstellingen is hij afhankelijk van sponsors; het Lange Voorhout mag niet op de begroting van het Gemeentemuseum drukken. Een aantal bruiklenen ging ondanks het feit dat ze toegezegd waren niet door. Fuchs noemt in dit verband met name de Rijksdienst.

Staande Dames

Het overkoepelende thema van de exposititie is "de manipulatie van de natuurlijke vorm', zoals die vanaf de laat zestiende-eeuwse Maniëristen in de beeldende kunst gestalte heeft gekregen. Centraal staat Hendrick Goltzius (1558-1617) met zijn sublieme reeks van vier gravures: de val van Phaeton, Icarus, Tantalus en Ixion (naar het schilderij van Van Haarlem). Vallende figuren, vreemde perspectieven en tegennatuurlijke proporties zijn de leidraad van de tentoonstelling, tot aan de bijna abstracte torso's van Lipchitz en de primitivistische koppen van Penck toe. De zaal met het beeld van Canova noemt Fuchs dan ook "de kamer met de Staande Dames'. De dames zijn de eerder genoemde Venus en Salomé, maar ook een verlegen lachende knaap (Dog Boy) van Gilbert & George en expressionistische hals- en rugplastieken van de Deen Per Kirkeby.

Het is bekend dat Fuchs graag kunstwerken uit uiteenlopende perioden en van verschillende stijlen met elkaar combineert om ze aldus "met elkaar te laten converseren'. Wat dat aangaat heeft hij zich hier volledig kunnen uitleven. Hij heeft niet geschroomd zijn bekende rijtje favorieten - Baselitz, Lüpertz, Penck, Gilbert & George, Kounellis, Rainer, Dibbets, Merz - te lenen van het even bekende rijtje kunsthandelaren - Michael Werner in Keulen, Anthony d'Offay en Waddington Galleries in Londen.

Fuchs wil laten zien hoe de hedendaagse kunst zich op de traditie beroept. Baselitz is bij voorbeeld een gepassioneerd verzamelaar van prenten van Goltzius en van maniëristen van de School van Fontainebleau en Kirkeby is een groot bewonderaar van de negentiende-eeuwse, neoclassicistische Deense beeldhouwer Thorvaldssen (voorbeeld van een ontbrekende bruikleen).

Werkt de methode van Fuchs? Voeren de kunstwerken een begrijpelijke "conversatie'? Lang niet altijd. Wat Mario Merz' neonwerkje Città Irreale doet naast het Meer van Nemi van de negentiende-eeuwer Anton Koch, is mij onduidelijk. Een overeenkomst op basis van de titel Città Irreale (het landschap van Koch is nogal onwerkelijk en gekunsteld) is toch al te oppervlakkig.

Stoeltjes

Ook het ensemble in de balzaal rammelt aan alle kanten. Een open ijzeren beeld van Auke de Vries op een rode tafel van Donald Judd, twee gedeukte blik-sculpturen van Chamberlain naast het staatsportret van Beatrix door Ger van Elk, vroege beelden van Carel Visser, de barokke Eenhoorn met eikeboom met Barry Flanagan: als geheel doet het niets. Het chaotische beeld wordt versterkt doordat er groene, Rietveld-achtige stoeltjes van Judd tussen staan. Ze ogen als sculpturen maar zijn enigszins bedoeld om op te zitten. Ze zijn niet comfortabel.

Soms werkt het wél. De Ambassadeurszaal is mooi ingericht. Wie zich mee laat slepen herkent misschien als onderwerp van de conversatie het falen van de schier goddelijke, maar tot sterven gedoemde mens (de Chinese keizer, de Wagenmaker, Ixion). En de zaal erboven staat voor een deel in het teken van kosmologieën, met onder andere een assemblage van Beuys, een apotheose van Anselm Kiefer en de bekende serie van vier prenten (Morgen, Dag, Avond en Nacht) van de negentiende-eeuwse romanticus Otto Runge.

Uiteindelijk blijft in de herinnering niet een bepaalde combinatie van objecten achter, maar enkele bijzondere kunstwerken die zich van hun context weinig aantrekken. Giorgio de Chirico schilderde een exquise, zinnelijk doekje met twee geelwitte druiventrossen op een siena-kleurig fond, aan de onder- en bovenkant afgebakend door een goudgele rand, alsof de druiven voor een raampje hangen. De onvolprezen Kop van een Jongeling van Wilhelm Lehmbruck (1881-1919) vaagt de bronzen sculptuurtjes van Penck in een keer weg. En verder zijn er de lapidaire bronzen kop van Baudelaire door Duchamp-Villon, de kwetsbare, ontroerende bronzen van de Belg George Minne en de Christuskop van zijn landgenoot Permeke, de mythische beelden van Rodin en Lipchitz, en de al eerder genoemde Eenhoorn van Barry Flanagan. Het experiment van Fuchs is vooral wat de beeldhouwkunst betreft geslaagd.

    • Janneke Wesseling