Rouw in Amsterdam

Op het moment van de vliegramp in de Bijlmer was ik in Wenen, waar ik een conferentie bezocht. Toen ik terugkwam waren de gebeurtenissen in Nederland nog voelbaar aanwezig, op Schiphol zowel als tijdens de treinreis: het land was gehuld in een waas van schrik en verdriet. Men is aan het denken gezet, met in het middelpunt de mens: er zijn doden gevallen, en hoe gering is de afstand tussen die doden en de levenden.

Ik kom uit een land waar bij voortduring grote aantallen doden vallen; in mijn verleden, in mijn herinnering wemelt het van de rampen, veroorzaakt door de natuur en door de mens. Wat mij van de vliegramp in de Bijlmer het meest getroffen heeft is de manier waarop het Nederlandse volk reageerde op het ongeluk. Als ik zie hoe al die mensen overal vandaan naar Amsterdam kwamen om deel te nemen aan de herdenkingsplechtigheid, als ik al die gezichten zie, en de uitdrukking die ze beheerst, voel ik het des te meer; juist in dat ongeluk zijn de mensen met elkaar verbonden geraakt.

Ik bedenk dat het is door de ontwikkeling van de technologie, door de vliegtuigen, dat de afstand tussen landen en mensen verkleind is; de aarde lijkt steeds meer op één dorp voor ons allen. Zo wordt het ongeluk van willekeurig wie onverwijld via de media aan alle mensen doorgegeven: deze gebeurtenissen hebben plaats in ons midden. Zo zagen de mensen, toen dat uitgebrande flatgebouw maar overeind bleef staan, toen zijn midden een leegte was geworden, in die leegte, in dat 'niets', talloze dingen. Het was de tastbaarheid van het geheel die bloedbaden, oorlogen, discriminatie, vervolging, rampen van elke dag en ieder uur uit allerlei landen in een flits dichterbij bracht. Het begon ons te dagen; zo breekbaar is de vrede. Een speling van het lot is genoeg om onze rust aan stukken te slaan. Geen plek ter wereld kan zich daarvoor afsluiten en de dans ontspringen. De bloemen, het grasveld, dit leven waarin je onder de bomen wandelt en de duiven brood voert zijn verbonden met de honger en het ongeluk van verre oorden; want verre oorden bestaan niet meer.

Afkomstig uit China en dit alles in Nederland overpeinzend bedenk ik dat ik kort geleden een verhaal gehoord heb: het ging over een 91-jarige Nederlander die beide Wereldoorlogen had meegemaakt. Keer op keer drukte hij zijn kleinkinderen op het hart: “Als je een huis koopt, verzeker dat dan zo dat ook schade door oorlogsomstandigheden vergoed wordt.” Zijn kleinkinderen hoorden de oude aan, en wat hij had opgestoken van de oorlog. En bij zichzelf dachten ze: als de volgende wereldoorlog uitbreekt is alles toch voorbij en weg.

Goed, dit was geen oorlog maar een vliegramp. Voor de Nederlanders is oorlog iets van bijna een halve eeuw geleden. In dit land, waar het leven gemakkelijk is en de sfeer ontspannen, kan het gebeuren dat iemand te paard of de bestuurder van een motorbootje me op mijn wandeling groet, en ik denk: God heeft zich niet over alle landen op aarde ontfermd, maar Nederland ligt in de helft die hij gezegend heeft. Ik bedenk wat die zegen betekent: dat mensen respect moeten hebben voor het leven, en het op zijn waarde moeten schatten. Dat zovele Nederlanders staan tegenover een uitgebrand flatgebouw, is om die waarde te bevestigen.

Ik bedenk hoe ik vorig jaar, toen ik net in Nederland woonde, op station Leiden een vrouw in een jas van marterbont haastig voorbij zag lopen. Mijn Nederlandse metgezel keek haar na en zei dat het zeker geen Nederlandse was; dat men in Nederland geen bontjassen droeg en, als men het wèl deed, de kans liep onder de verf gespoten te worden. Daardoor bedenk ik dat op de Nederlandse televisie laatst een documentaire was over Chinese jongeren: er kwamen hanengevechten in beeld, waarop de Nederlandse verslaggever als commentaar gaf dat die in Nederland bij de wet verboden zijn. Een Chinese jongen vroeg hem: Hanengevechten bij de wet verboden? Hij begreep het niet, begreep het écht niet, want in China zijn zelfs mensengevechten een wettig toegestaan vermaak. En in China is men vandaag de dag alweer overgestapt van mensengevechten naar een nieuw soort waanzin: een programma van de BBC toonde lachende, schaterende mensen op de effectenbeurs in Shanghai, zwaaiend met hun armen en in vloeiend Engels brullend: Money, Money, Money. In een artikel over de vraag of Columbus vijfhonderd jaar geleden de ontdekker van een nieuw continent of een Indianenmoordenaar geweest is heb ik gelezen dat de meeste Indianen niet uitgemoord zijn door de blanken, maar gestorven aan de ziektekiemen die de blanken uit Europa mee hadden gebracht, en waartegen hun afweerstoffen niet opgewassen waren. Ik bedenk dat die hoofden op de Chinese effectenbeurs met stimulantia zijn ingespoten en evenmin afweerstoffen hebben, niets hebben, helemaal niets, en daarom in de waan verkeren dat geld hebben álles hebben betekent. Ze lachen, kunnen niet anders dan lachen, omdat ze ziek zijn.

En afweerstoffen ontstaan pas als de mens de deugd hoog in het vaandel heeft.

Ik bedenk hoe ik in april van dit jaar te gast was op een internationale conferentie over humanisme, gehouden op Sardinië en georganiseerd door professor Fons Elders van de Utrechtse Universiteit voor Humanistiek. Ik vond de toespraken - van geleerden en schrijvers uit Afrika, Egypte, Roemenië, Nederland, Italië - zeer inspirerend. Tijdens de conferentie stelde ik een vraag: is de traditionele Chinese cultuur misschien inhumaan van aard? Hoe is het anders te verklaren dat de huidige tirannen, die zich communisten noemen, een dergelijke ouderdom bereiken? Ook sprak ik over Tao, een begrip uit de klassieke Chinese filosofie: het besef dat de mens heeft van de orde in het heelal, en benadrukte daarvan uitgaande de harmonie tussen mens en natuur. De aanwezige geleerden wezen er onmiddellijk op dat respect en eerbied voor het heelal, inzicht in de mens en in het heelal, de doelstellingen van het humanisme zijn. Fons Elders zei dat één mogelijke benadering de mens, en een andere grootschaliger benadering Tao als uitgangspunt noemt, maar dat het humanisme tussen die twee instaat. De mens is niet af, en hij kan kiezen: omhoog, of omlaag.

Tao betekent ook: de Weg. De mens is de mens die voortgaat over die weg. Aan het Leidse Sinologisch Instituut doceert een Nederlander van Chinese afkomst, Han Yunhong genaamd, die een ontroerend verhaal vertelde: meer dan tweeduizend jaar geleden ging de grote Chinese geleerde Mengzi (Mencius) op audiëntie bij de vorst. De vorst vroeg hem: Je komt van ver. Welk profijt breng je je heer? Meteen antwoordde Mengzi met klem dat profijt nooit de Weg - dat wil zeggen de weg van de deugd - mag doen vergeten. Zouden we niet kunnen zeggen dat milieu- en vredesactivisten de Mengzi's van het heden zijn? Dat tweeduizend jaar geleden op de wereld maar één Mengzi was, en er nu ontelbare zijn?

Ik bedenk dat Mengzi het voorbeeld is van de ware intellectueel. De ware intellectueel is een ruimdenkend, pluralistisch ingesteld humanist. In die zin zijn de huidige intellectuelen engelen die doorgaan de alleroudste intuïtieve kennis van de mens te verspreiden: zij nemen de verantwoordelijkheid op zich de toestand waarin de mens zich bevindt te verkennen, te kritiseren, onder ogen te zien. Dat God dood is betekent ook dat die verantwoordelijkheid van de mens er een is tegenover zichzelf. Daarom zijn zoveel mensen naar Amsterdam gekomen om te rouwen; elk van hen heeft door zijn opstelling deel aan die verantwoordelijkheid. Waar mensen pijn hebben, zijn anderen niet zonder zorgen.

Dit bedenkt ik, en dit schrijf ik op.

Mogen de doden van de Bijlmer rusten in vrede.

Bij de vorige column van Duoduo werd verzuimd de juiste vertaler te noemen. Ook deze werd vertaald door Maghiel van Crevel.