Minder bejaardenoorden voor steeds meer ouderen; "Men sluit de ogen voor de gevolgen van de vergrijzing'

ROTTERDAM, 30 OKT. Terwijl het aantal ouderen in Nederland de komende jaren nog fors groeit wordt de capaciteit van bejaardenoorden kleiner. De provincies en de vier grote steden werken aan plannen om in de komende vier jaar 7.000 plaatsen te schrappen. De totale capaciteit moet in 1995 zijn gereduceerd tot 125.000 plaatsen.

De Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in Zuid Holland vindt dat het aantal plaatsen in verzorgingshuizen tot 2000 met ongeveer 27 procent moet toenemen, zo blijkt uit een rapport dat deze week is gepubliceerd. Maar volgens een woordvoerder van de provincie zijn dat “cijfers die niet meer zijn dan een vingeroefening en geen relatie hebben met de planning van dit moment”. De Raad geeft ook aan dat het rapport voornamelijk is gebaseerd op demografische gegevens en geen rekening houdt met de ontwikkeling van alternatieven voor opname in bejaardenoorden. In Zuid-Holland neemt het aantal bedden in de bejaardenzorg overigens maar weinig af.

Het aantal 80-plussers in Nederland zal dit decennium nog stijgen met 23 procent. Door het toenemende aantal ouderen zal ook de behoefte aan zorg toenemen, maar dat daarin alleen door een uitbreiding van het aantal plaatsen in tehuizen moet worden voorzien, staat voor de organisaties van bewoners en tehuizen niet vast. Het huidige beleid wordt volgens hen ook niet gestuurd door de toenemende vraag naar zorg, maar door het budget dat het rijk ter beschikking stelt en dat te klein is. De provincie Zuid-Holland geeft aan niets anders te kunnen doen dan in overleg met de regio's het beschikbare geld zo redelijk mogelijk verdelen. Het budget biedt geen ruimte om rekening te houden met de demografische ontwikkeling van de vergrijzing.

Volgens de provinciale en grootstedelijke plannen voor de jaren 1985-1992 moest de capaciteit in de bejaardenoorden met 7.000 plaatsen verminderen. Tot en met 1991 zijn daarvan 5.600 plaatsen al geschrapt. Bij de 7.000 plaatsen die in de komende planperiode 1993-1996 moeten verdwijnen komen nog de 1.400 plaatsen uit de vorige periode. Toch zijn er sinds 1985 betrekkelijk weinig bejaardenoorden gesloten. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek daalde het aantal met 60 tot 1.510 einde 1991. Het aantal bedden daalde in die jaren tot 135.100. Het aantal ouderen (65-plus) steeg intussen van 1,73 tot 1,93 miljoen.

De Landelijke Organisatie van Bewonerscommissies van Bejaardenhuizen (LOBB), die tweederde van de bewoners vertegenwoordigt, zegt te kunnen leven met de plannen voor het verminderen van capaciteit. Zij verbindt daar wel de strenge voorwaarde aan dat er op korte termijn voldoende alternatieven beschikbaar komen. “En dat is op dit moment niet het geval. Men sluit de ogen voor de onmiskenbare gevolgen van de vergrijzing op de huisvesting en zorg voor ouderen”, aldus J. Visser van de LOBB. De reductie houdt volgens hem geen gelijke tred met de ontwikkeling van alternatieven en een intensivering van de thuiszorg. Doordat tachtig procent van de bewoners van bejaardenoorden ook met met minder intensieve vormen van zorg geholpen kan worden, is het echter niet direct nodig de capaciteit uit te breiden, aldus Visser.

Net als de bewonerscommissies is voorzitter C. Koster van de Vereniging van Nederlandse Bejaardenoorden (VNB), die alle instellingen vertegenwoordigt, het eens met de richting van het beleid, maar niet met de uitvoering daarvan. “Provincies en steden moeten niet zo hard van stapel lopen en ons de kans geven met alternatieven te komen voor de reductie.” Hij denkt dat het aantal bedden omlaag kan aangezien er op korte termijn minder behoefte aan is. “Het is een trend onder ouderen om minder snel naar een bejaardenoord te gaan. Pas op de langere termijn zal er weer een groeiende vraag naar bedden ontstaan.” Dat moment zal binnen vijf tot tien jaar aanbreken. De vereniging vraagt daarom om de nodige voorzichtigheid bij de voorgenomen reductie omdat daarbij capaciteit wordt afgestoten die over enkele jaren nodig is. Op een aantal plaatsen, zoals in Brabant en Zeeland, zijn nu al grote verschillen tussen vraag en aanbod van bejaardenzorg. Dat komt onder meer doordat Brabant een groter dan gemiddeld aantal ouderen kent.

De VNB wil dat de aandacht wordt verlegd van de klassieke verzorging in een tehuis “naar het verlengen van de periode dat iemand thuis woont waarbij de zorg vanuit het bejaardenoord wordt aangeleverd”.. Als voorbeeld noemt Koster de wooncentra die als paddestoelen uit de grond rezen, tot het kabinet een stokje stak voor de financiering via de huursubsidie.

“Het budget blijft achter, want de overheid legt de prioriteit bij het saneren van de rijksbegroting”, meent directeur W. Kromwijk van de LOBB. “Dus zitten de provincies met de gebakken peren. Zij moeten huizen sluiten, maar hoe bejaarden thuis worden opgevangen, kunnen ze niet sturen omdat de thuiszorg uit andere potjes wordt gefinancierd.” Als daar niets aan wordt gedaan zal volgens hem de druk op de thuiszorg en mantelzorg (familie, vrienden, kennissen en buren) onverantwoord toenemen.

Het in één hand brengen van de financiering van de totale zorg, ziet F. Clevers, directeur van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg (LVT), als een van de positieve en noodzakelijke onderdelen van de stelselherziening. Pas als alle geld door de zorgverzekeraar wordt verdeeld kunnen er duidelijke afwegingen worden gemaakt. Een standpunt dat de VNB onderschrijft: pas dan is een doelmatig ouderenbeleid mogelijk.

Vraag en aanbod bij de thuiszorg lopen volgens Clevers steeds verder uiteen doordat het budget tussen 1987 en 1991 ongeveer gelijk is gebleven en nu de eerstkomende drie jaar zelfs met honderd miljoen gulden zal dalen. Het totale budget voor de thuiszorg is drie miljard gulden; tachtig procent van de cliënten is 65-plus. Clevers: “Die bezuinigingen laten zich vertalen in een wachtlijst van 50.000 mensen die een indicatie hebben voor de zorg, maar die we "neen' moeten verkopen, doordat we het benodigde personeel niet kunnen aannemen.” Hij noemt het een "merkwaardige paradox' dat “het rijk erkent dat de behoefte aan thuiszorg toeneemt en die zelfs aanmoedigt, maar tegelijkertijd op die zorg bezuinigt”.

    • Dirk Limburg