Klaar voor de eeuwigheid; De strijd tussen schrijvers en biografen

Veel schrijvers verdragen geen biografie. Maar biografen onderzoeken niets liever dan schrijvers. Steeds meer schrijvers voelen zich gedwongen hun leven af te schermen tegen nieuwsgierige blikken. Ze nemen komende biografen de wind uit de zeilen door zelf memoires, brievenboeken en autobiografieën te publiceren en hun nalatenschap te ordenen. Maar voor een groot auteur is er geen ontsnappen aan. “Iedereen komt aan de beurt en niemand wordt ontzien.”

Ian Hamilton: Keepers of the flame. Literary estates and the rise of biography. Uitg. Hutchinson, 344 blz. Prijs ƒ 71,95.

Michael Millgate: Testamentary acts. Browning, Tennyson, James, Hardy. Uitg. Clarendon Press, 273 blz. Prijs ƒ 104,25.

Eind jaren tachtig werd Philip Roth zijn eigen biograaf. Hij had zijn leven dertig jaar lang geëxploiteerd als grondstof voor zijn romans, maar merkte dat het niet meer lukte. Zijn verhalen overwoekerden zijn herinneringen, zijn alter ego's werden echter dan hijzelf. Hij was zichzelf kwijt, wat dat ook betekenen mocht, en besloot te doen wat hij bij verliezen (sleutels, paraplu) meestal deed: dezelfde weg terug nemen. Terug naar "het begin' dus, het moment waarop de manische kant van zijn verbeelding zich losmaakte van de rest en schrijver werd. Hij dwong zijn geheugen tot orde, zocht achter latere ficties de naakte feiten weer op en schreef The Facts: een "achterwaarts boek'.

Maar Roth was meteen ook de eerste om aan de zin van die onderneming te twijfelen. Hij opent The Facts met een verzoek aan Nathan Zuckermann, zijn jarenlange romanheld, om het manuscript te lezen en ongezouten te oordelen. Is hij wel eerlijk geweest? Deugt het boek? Zuckermann mag het zeggen.

"Don't publish,' kaatst Zuckermann in een slotwoord terug. "Je bent veel beter af wanneer je over mij schrijft dan wanneer je je eigen leven "nauwkeurig' boekstaaft.' In een tirade tegen zijn schepper laat hij zien dat alleen fictie een vrijbrief voor onthullingen geeft. "Jij' - Roth - wil eerlijk zijn, maar The Facts lijkt wel de dans met de zeven sluiers. Je verandert namen, ontziet en verhult en probeert aardig te zijn. Als romancier word je esthetisch beoordeeld maar als autobiograaf eerder ethisch, en je bent laf of verstandig genoeg daar op in te spelen. Los van de verbeelding geef je "feiten' die vlak en onbetekenend zijn. Waar gebeurd wellicht, maar zelden waar. Alleen door "mijn' tussenkomst kun je ze verdiepen, verdichten tot de waarheden die voor je eigen rug te zwaar zijn. Die waarheden, de ondraaglijke, die moet je liegen. "Roth, you need me.'

Waarmee Roth weer opkrabbelt als schrijver. Zijn "feiten' zijn materiaal, niet meer, geheimen van de werkplaats. Om zijn leven werkelijk te verwoorden zal hij weer fictie moeten schrijven.

Scharnier

Veel schrijvers verdragen geen biografie. Maar veel biografen onderzoeken niets liever dan schrijvers. Aangetrokken door andermans obsessies, vinden ze de mooiste helden in mensen die bij het uitbuiten van hun eigen obsessies zo ongeveer bestaan. Ze ontleden het werk van een auteur in de hoop een wisselwerking te ontdekken met diens leven, een aanwijzing voor het "scheppende moment' in dat leven, een soort scharnier tussen de werkelijkheid en de verdichting. Ze vlassen op het geheim van de feiten achter de fictie.

Schrijvers voelen zich daardoor steeds meer gedwongen hun leven af te schermen als een besloten domein, een vrijplaats waar ze kunnen ontsnappen aan de moraal en de nieuwsgierigheid van de wereld. Meer nog dan andere publieke figuren hechten ze aan hun privacy, bij hun leven - en na hun dood. In Keepers of the flame geeft biograaf Ian Hamilton daar een saillante geschiedenis van. Het boek omvat drie eeuwen schrijverstestamenten, erfrechten, brievenuitgaven en edities van onvoltooid werk. Het had een saai verhaal kunnen worden, ware het niet dat schrijvers en hun verwanten zich boven het graf zo mooi en intiem laten kennen in hun hoop op onsterfelijkheid, hun gevoelens van eer en schaamte en hun angsten voor ontdekking van wat koste wat kost verborgen moest blijven.

Aan de hand van een twintigtal case-studies van Engelse en Amerikaanse schrijvers laat Hamilton een leerschool zien van volstrekte argeloosheid tot taai verweer tegen publieke opdringerigheid. Hij begint plichtsgetrouw bij Donne en Shakespeare, maar zijn thema wordt pas scherp als hij aankomt bij het eind van de achttiende eeuw, toen er voor het eerst iets ontstond als professioneel schrijverschap, een boekenbedrijf met roofdrukken, briefuitgaven en nieuwsgierigheid naar the lives of the poets. Schrijvers konden sterren worden, voorzien van een imago en vereeuwigd in halfverzonnen secret histories, voorlopers in het nog onbekende genre van de biografie. Ze kregen een plek in de wereld - en spanningen met de wereld.

Hamilton vindt een fraai voorbeeld in Robert Burns, kort voor 1800 overleden als romantisch dichter en akkerbouwer, een arcadische figuur in wie de Natuur spontaan naar boven leek te komen. Burns wist zelf wel beter, maar hield dat wijselijk voor zich en liet zijn executeurs-testamentair achter met een lastige tweespalt: enerzijds lagen daar verzen van gevoelige eenvoud, anderzijds de getuigenissen van een man die "vrat als een Turk, zoop als een vis en vloekte als de Duivel' (en zijn vrouw sloeg). Zijn vele geliefden kwamen op een holletje brieven terugvragen, overigens zonder de zijne daarvoor in ruil te geven, en het leek haast onvermijdelijk dat het schandaal eerdaags publiek zou worden.

Toen uit het snel geschreven gedenkboek van een kennis al duidelijk werd dat Burns door de drank was geveld (of was het toch syfilis?), zat er voor de erven weinig anders op dan een vlucht vooruit: zelf publiceren. Maar de brave en verdoezelende biografie die ze kort daarop uitbrachten, kon de schade niet meer helemaal herstellen. De argwaan was gezaaid. Verdere verdediging van de dichter vroeg om een nieuwe strategie, waarvan William Wordsworth als mede-Romanticus de lijnen uitzette. In een bits en beroemd geworden pamflet eiste hij een strikte scheiding van mens en Genie in de kunstenaar. Naast de mens (alcoholist, vrouwenmepper) moest de Dichter in Burns worden gezien als een eigen gestalte, de ware persona, verheven en gelouterd. Robert Burns, dat waren er twee.

Echo

Van die splitsing klinkt bij schrijvers als Roth nog altijd een echo, maar ze pleiten vaak vergeefs. Het publiek van de negentiende en twintigste eeuw koos massaal de kant van de biografen. Schrijvers zagen zich steeds meer gedwongen hun leven na de dood te orkestreren. Sommigen schreven memoires, Thomas Hardy nam het zekere voor het onzekere en schreef zelfs een biografie, die na zijn dood verscheen onder de naam van zijn tweede vrouw (die de eerste vrouw daarbij overigens flink uit het manuscript schrapte). Velen lieten hun nagedachtenis bewaken door vrouw en kinderen, die soms jarenlang bezig waren matresses uit dagboeken te gummen en brieven te verknippen of vernietigen. De vlam uit Hamiltons Keepers of the flame slaat op het kunstvuur van schrijvers, maar ook op het vreugdevuur waarin erven veel van hun papieren lieten verdwijnen. (Vandaar les één voor biografen: kill the widow.)

Hamilton leidt de lezer naar een paradox die misschien voor de hand ligt, maar die hij zelf maar half lijkt te doorzien: hoe meer succes een schrijver heeft met zijn boeken, hoe verder hij zelf in wereld getrokken en ten slotte ontluisterd wordt. What goes up must come down. Onder het regime van foto, film, krant, radio en tv is het voor een schrijver die gelezen wil worden vrijwel onmogelijk nog buiten het beeld van zijn werk te blijven. Sterker, wie het probeert wekt eerder schandaal dan sympathie.

Misschien is Hamiltons blindheid voor die stelling geen toeval. Zijn eigen verleden geeft er het beste voorbeeld van. In 1984 schreef hij J.D. Salinger dat hij een studie over diens leven en werk hoopte te schrijven. Konden ze misschien eens praten? Het was het soort post dat Salinger in de jaren zestig, toen hij voor het laatst publiceerde, vrijwel wekelijks in de bus kreeg. Hij zei altijd nee, maar dat weerhield Newsweek en Time toen niet van omslagartikelen waarin zijn brievenbus (op de foto), zijn schrijfhok (van een afstand), zijn auto (wegschietend), zijn buurman en ook zijn supermarkt prominent naar voren kwamen.

Het antwoord lag dus voor de hand, maar Hamilton nam daar geen genoegen mee, want hij dacht als een biograaf, niet als een schrijver. Was Salinger de lezers van zijn werk niet ook enige informatie over zijn leven verplicht? Bovendien, had Salinger zelf niet ooit toegegeven dat Holden Caulfield uit The catcher in the rye zijn jongere ik was? (Ongetwijfeld zoals Roth zegt dat hij Nathan Zuckermann is en Flaubert zei dat hij Emma Bovary was - maar intussen, Flaubert was geen dromende juffrouw.) En stond daar tussen de regels van de weigering, die inderdaad na een paar weken kwam, niet "eigenlijk een soort van kom-maar-op' te lezen? (Als een meisje nee zegt, met andere woorden, bedoelt ze ja.)

Twee jaar later ontmoetten beide heren elkaar voor het eerst, in een van de meest geruchtmakende literaire rechtzaken van de eeuw. Salinger vocht voor de verwijdering van elke letter waar hij volgens het auteursrecht macht over had en wist een uitgave van de biografie ten slotte, in hoger beroep, te verbieden. Maar of hij daarmee iets heeft gewonnen is zeer de vraag. Voor het onderzoek naar Hamiltons gebruik van zijn brieven had hij de rechter kopieën moeten overhandigen en die bleven sindsdien ter inzage bij het Auteursrechtenbureau in Washington. Terwijl de biograaf zijn wonden likte en zijn manuscript omwerkte tot het magere In search of J.D. Salinger, plaatsten de weekbladen het Washington-dossier over zes, zeven pagina's of nog mooier, als bijlage - om apart te bewaren.

Embargo

Enigszins verrassend verdedigt Hamilton in Keepers of the flame nu het standpunt dat gevoelig materiaal van een schrijver het beste onder embargo kan blijven tot de gebruikelijke vijftig jaar na zijn dood. Een beetje bedremmeld bij die bekering ("We live and learn') schrijft hij dat de lezer tot die tijd domweg geduld moet hebben. Verrassender nog is dat hij als ideale oplossing voor een nalatenschap het voorbeeld aanhaalt van Henry James, een schrijver die niets aan het toeval overliet en zijn literaire boedel eigenhandig samenstelde, tot op de laatste letter, zonder inmenging van wie dan ook. Bij een schrijver als James, is zijn suggestie, weet je als biograaf zeker dat je materiaal door het hoogste gezag gefiatteerd is en hou je bijgevolg je handen schoon.

Het idee heeft iets eerlijks en aardigs, maar Hamilton is blind voor de uitkomst van zijn eigen gedachte. Selecteert een schrijver zijn papieren op latere leeftijd, dan wordt je zicht als biograaf ingeperkt tot het beeld dat hij zelf in die dagen wilde doorgeven. Je visie wordt een afgeleide van de zijne. Hoe voorkom je dan de ghostwriter te worden van zijn postume memoires? Als hij iets heeft kwijtgemaakt, misschien juist omdat het wezenlijk was, hoe vind je dat dan terug? Wat te doen als het wezenlijke weg is en je niet eens weet wat het geweest zou kunnen zijn?

Dat Hamilton daar verder niet bij stilstaat is niet zo gek, want dat gebeurt zelden. Testamentaire selectie is een vrijwel vergeten probleem van de biografie, zoals Michael Millgate laat zien in Testamentary acts, essays over de nalatenschappen van Thomas Hardy (van wie Millgate eerder een biografie schreef), Robert Browning, Alfred Tennyson en, ook hier, Henry James. Wordt de ouderdom van schrijvers doorgaans versleten voor een tijd zonder groei, een wachtkamer voor de dood, bij nader onderzoek blijkt er dikwijls nog rusteloos te worden gewerkt. Als de kracht voor romans langzaam wegebt, benutten veel schrijvers de rest van hun talent om hun herinneringen tot een afgerond beeld te vormen. Hun leven, suggereert Millgate, wordt hun laatste boek.

Een geordende nalatenschap is dus vaak zorgvuldig bijgeschaafd, gepolijst door latere belangen en bedoelingen. Het materiaal ontleent een eerste betekenis aan de tijd van ontstaan, maar een tweede aan de tijd van selectie door de schrijver, een derde aan de tijd van overdracht aan de weduwe, en zo verder. En toch gaan biografen er liefst mee om alsof het ruw en onbewerkt is. Onschuldig. Zouden ze rekening houden met alle betekenislagen, dan zouden die ook in hun werk te zien moeten zijn, maar daar wordt een biografie niet makkelijker van en dat gebeurt (dus?) niet.

Millgate zelf probeert het wel, zij het heel voorzichtig. Hij zoekt bij zijn vier negentiende-eeuwers naar een patroon in de selectie van hun erfgoed, een idee, een boodschap, wie weet zelfs een sleutel in hun censuur. Vooral bij Henry James zou dat intrigerend kunnen zijn, want die ensceneerde het beeld vrijwel volmaakt. Hij gruwde bij de gedachte aan een biografie (al mocht hij ze zelf graag lezen), vroeg zijn erven elke nieuwsgierigheid naar zijn bestaan te ontmoedigen en verbrandde vrijwel zijn hele correspondentie. Hij herzag bovendien zijn romans, voorzag ze van lange voorwoorden en bracht ze samen in een monumentale New York-Edition, klaar voor de eeuwigheid. Zo wilde hij bewaard blijven: synoniem aan zijn schrijverschap en verder geen spoor, geen clou, niets. Mystery, vond hij, is mastery.

Uitdaging

Toch blijven ook bij Millgate de onderliggende motieven van zijn schrijvers duister. Hij weigert in te gaan op de laatste uitdaging die James aan biografen stelt. Een auteur die zijn geheimen meeneemt in het graf, stelde James ooit (in een recensie van George Sands brieven), maakt het een biograaf onmogelijk zijn schrijverschap omlaag te halen tot "de natuurlijke, de instinctieve mens'. Zijn boeken blijven hoog op het graniet van de verbeelding staan, een "triomf van de beschaving', en de onderzoeker die toch een verband met het leven zoekt zal dat zelf moeten bedenken. Hij zal zijn verbeelding moeten gebruiken. Met het werk als enige "feiten' zal hij moeten gissen naar de geheimen waaruit het destijds ontstaan kan zijn, de onverdraaglijke waarheden van het leven. Hij zal schrijver moeten worden.

En zo is het. Laat een schrijver in zijn leven gaten na, dan kan zijn biograaf die alleen op eigen houtje vullen, met gissingen van eigen makelij. Millgate kan daar niet mee uit de voeten, want die mijdt speculaties en houdt liever een academische slag om de arm, maar James heeft gelijk: de schrijver die zijn raadsel bewaart, dwingt de biograaf tot schrijverschap. Ze komen quitte te staan.

James' wensen zijn niet erg geëerbiedigd. Hoeveel hij zelf ook verbrandde, biograaf Leon Edel heeft bij adressanten en archieven alsnog ruim zevenduizend van zijn brieven achterhaald, genoeg voor vier boekdelen correspondentie en vijf delen biografie. Ironisch genoeg is juist hij een van de dichtst beschreven schrijvers van de wereld geworden. Alle testamenten ten spijt, voor een groot auteur is er geen ontsnappen meer. Iedereen komt aan de beurt en niemand wordt ontzien.

Bij alle strekkende meters archief van deze eeuw wordt de uitdaging die James aan biografen stelt maar zelden aangenomen (met Edel zelf overigens als mooie uitzondering). Het is een curieus gebrek voor wie schrijvers onderzoekt, maar biografen hebben weinig boodschap aan de verbeelding. Door de bank genomen passen ze nog altijd keurig in een cliché waaraan ze juist sinds heugenis proberen te ontsnappen: de biograaf als gemankeerd romancier. Een stille wraak, misschien, voor het schrijverschap.