Horvath is groter dan Brecht; Indrukwekkende voorstelling zonder goede bedoelingen in Parijs

Politiek ideeëntheater zonder één theoretisch woord. Dat maakte de Franse regisseur André Engel van öOdn Von Horváths toneelstuk "Legenden uit het Wener woud'. Opmerkelijke kunstgrepen zijn er niet, noch dramaturgische hoogstandjes, maar in het Bobigny-theater bij Parijs weet Engel de spanning drie uur lang vast te houden. “Dit is triomf van de kleinste soort.”

Légendes de la Forêt Viennoise tot 22 november in Maison de la Culture Bobigny. Metro: Bobigny-Pablo Picasso. Res. 09-331 48 31 11 45.

Het adres dat we vroeger op onze schoolschriften schreven eindigde altijd met "het heelal'. Dommelsch Bier heeft volgens hetzelfde principe maar in omgekeerde volgorde een bioscoopreclame gemaakt. Van cameraklik tot cameraklik zien we eerst het heelal en uiteindelijk de kroonkurk van het Dommelsch-flesje. De suggestie is duidelijk. Dommelsch is de samenvatting van de kosmos, de kleinst mogelijke eenheid, de essentie. Slimme spot.

Ik moest er aan denken toen ik keek naar het slotbeeld van öOdn Von Horváths stuk Légendes de la Forêt Viennoise, in de enscenering van Franse regisseur André Engel. De voorstelling, die eind september in Frankrijk in première ging, is speciaal gemaakt voor het Maison de la Culture van Bobigny, een Parijse voorstad. “Niets geeft zoveel zicht op de oneindigheid als de domheid” luidt het motto dat Horváth zijn stuk meegaf en inderdaad: wie uit de metro komend Bobigny aantreft, een typerend voorbeeld van banlieue, van akelige hoogbouw dus zonder infrastructuur, wordt onherroepelijk bevangen door een gevoel van nietigheid. Heel toepasselijk voor Horváth, besef je pas naderhand. Engel heeft vast en zeker bewust voor Bobigny gekozen.

Het slotbeeld van Légendes is geloof ik het mooiste dat ik ooit zag. Alle, bij elkaar drie uur durende scènes die eraan voorafgingen, werden ineens de klikken uit de Dommelsch-reclame. Zou het om dit ontluisterende moment dan allemaal begonnen zijn?

Daar staat dan hoofdpersoon Marianne: stokstijf, murw, levenloos. Zij is een plastic pop geworden, en dat blijkt vreemd genoeg niet eens zozeer uit haar verstarde houding als wel uit Engels regie. Hij laat Oscar, die kleurloze Oscar, zijn armen om haar heen sluiten en zijn mond tegen de hare drukken. De prooi is eindelijk willoos, de hyena slaat toe. Hij tilt haar op, stram priemen haar schoenpunten boven de zijne, haar hele lichaam hangt als het ware aan zijn tong die zich achter haar tanden wringt. En dan draait hij, voor het eerst van zijn leven joyeus, in een driekwartslag door een spleet in het achterdoek van het toneel af. Dit is triomf van de kleinste soort.

Maar gaat Légendes daar over, over de amoureuze overwinning van een Lulletje Rozewater? Of over de teloorgang van Marianne, die ik net nog "hoofdpersoon' noemde? Nee. De volgorde die wij in ons schoolschrift aanhielden (van onze straat via onze stad naar de hele aardbol en het heelal) - die veel sympathiekere volgorde dan die van Dommelsch - die hanteert ook Horváth. Of Engel. Want het valt niet meer uit te maken of het wonder aan de schrijver of de regisseur te danken is.

Intuïtief

En dat wonder is: politiek ideeëntheater tonen zonder één theoretisch woord te laten vallen. Omdat Horváth en Brecht generatiegenoten waren en binnen hetzelfde taalgebied opereerden, heeft men zich vaak afgevraagd wie van beiden de grootste toneelschrijver was. Dat is vreemd want het antwoord is evident en de vraag daarom overbodig. Horváth natuurlijk. Die was kunstenaar. Die verbeeldde, intuïtief, de leerstukken die Brecht schreef. En belangrijker nog: hij had géén goede bedoelingen. Een vriendin zei eens over hem: “Hij hield niet van mensen. Hij zag ze.”

öOdn Von Horváth (1901-1938) was van wat hijzelf noemde "typisch oud-Oostenrijkse-Hongaarse' afkomst. Nog voor hij aan de universiteit van München ging studeren had hij als diplomatenzoon al in vier landen gewoond. Tot zijn grote tevredenheid had hij geen vaderland: “Dat bevrijdt me van veel onnodige sentimentaliteit.” Waarschijnlijk daarom had hij zo'n scherp oog voor de nationalistische, fascistoïde tendenzen van zijn tijd. In Légendes, geschreven in 1931, komt een bijna terloops antisemitische aanhanger van het nationaal-socialisme voor. Horváth schetst die figuur commentaarloos, maar de nazi's waren later goed verstaander genoeg om zijn werk te verbieden.

De oorspronkelijke titel van Légendes luidt Geschichten aus dem Wiener Wald en is ontleend aan de gelijknamige wals op. 325, uit 1868, van Johann Strauss jr. Wellicht vond Horváth deze muziek het symbool van de oubollige kleinburgerlijkheid die hij in zijn stuk laat zien, maar anderzijds is juist ook de neutraliteit van de titel veelzeggend. Het lijkt wel alsof de schrijver een soort sprookjes vertelt, die hij optekent uit overlevering. Horváth beschouwt zijn eigen figuren en hun lotgevallen van grote afstand. Zo krijgt men aanvankelijk enkele scènes lang de indruk dat Marianne en haar fatale amoureuze keuzen hoofdonderwerp zijn, maar al snel blijken zij slechts onderdeel van een groter Heimat-achtig epos. Horváth schuwt details niet, integendeel, maar tegelijkertijd plaatst hij ze zo te zeggen in het licht der eeuwigheid, relativerend, alsof hij geen drama schrijft maar een objectief, onthecht observatierapport. Het is een teken van genialiteit als een dramaschrijver een zo on-dramatische toon kan en durft aan te slaan.

Dat grote gebaar, dat Horváth verwant maakt aan andere "epische' romanciers en toneelschrijvers van zijn tijd als Roger Martin du Gard, John Dos Passos en Eugene O'Neill, is een bij uitstek politiek wapen. Het toont mensen in hun omstandigheden: we krijgen inzicht in het individu en zijn persoonlijke eigenschappen maar meer nog in de maatschappij en de eigenschappen die individuen gemeen hebben. En het schetsmatige van Horváths stijl maakt hem vaak ook zo geestig. In enkele zinnen kan hij de hele sfeer veranderen. Als de kioskhoudster Valérie van het ene moment op het andere in de armen valt van de met de fascisten sympathiserende student Eric, stamelt ze: “Men moet altijd een doel voor ogen hebben. Een man zonder doel is geen man...”. En als Marianne hoort dat haar kind gestorven is, zegt de halfzachte Oscar: “Wie goed doet, goed ontmoet”.

Paardestal

In het volgende Holland Festival komt André Engel Ton de Leeuws opera Antigone regisseren, op lokatie in de Westergasfabriek. Naar verluidt is Gerard Mortier, directeur van de Salzburger Festspiele, jaloers. Terecht, in het verleden maakten Engel en Rieti al een paardestal van de Bobigny-zaal ten behoeve van Molières Le Misanthrope en veranderden zij voor hun voorstelling Kafka een oud kantoorgebouw in Straatsburg in een afgetrapt 1900-hotel, waar de toeschouwers automatisch de rol van hotelgasten vervulden.

Het kleine van Strauss' wals, die voortdurend weerklinkt is in Légendes, André Engels leidraad geweest. André Engel zijn onafscheidelijke decorontwerper Nicky Rieti durven het door Horváth uitvoerig omschreven "rustige straatje in het 8e arrondissement' in Wenen bijna natuurgetrouw weer te geven. Hun kracht is dat zij niet bang zijn voor realisme: ze geven er hier en daar een tik tegen, trekken het een beetje uit het lood en zie: decor, spel en mise en scène verkrijgen maximale vanzelfsprekendheid. Zo doet het enigszins scheve, bordkartonnen gevelrijtje met plastic worsten in de helverlichte slagersetalage en een geraamte in die van de feestartikelenzaak voornamelijk denken aan de Snip & Snap-revue en niet aan onberispelijk smaakgevoel. Hetzelfde geldt voor het stripachtig weergegeven Wald, met boomkruinen als groene wolken en foeilelijk Stube-meubilair op het grasveldje ervoor.

Opmerkelijke kunstgrepen zijn er niet, noch dramaturgische hoogstandjes. Engel weet met een vrij volgzame uitvoering van Horváths regie-aanwijzingen drie uur lang spanning vast te houden. Het enige spectaculaire is de tribune. Die bestaat uit drie delen die op de maten van Strauss' wals hydraulisch op drift raken om het publiek in de ruime hal van het Maison de la Culture om de zoveel scènes voor een ander decor te parkeren. Guirlandes van lampjes langs de relingen knipperen tijdens het ritje vrolijk aan en uit. Ze verbeelden de melancholiek stemmende sfeer van de kermis - het is kunstmatige vrolijkheid. Je ziet een regisseur zelden met zulke simpele middelen een toneelstuk recht doen.

    • Pieter Kottman