Het engelachtige snakt naar het wrede; Vertwijfelde lofzang van Frederic Prokosch

Frederic Prokosch: Storm en echo. Vert. Martha Heesen. Uitg. Coppens & Frenks, 305 blz. Prijs ƒ 54,90 (geb.)

Voor Frederic Prokosch betekende Azië het einde en Afrika het begin. In zijn eerste roman De Aziaten (1935), die vorig jaar in een Nederlandse vertaling verscheen, projecteerde hij zijn sombere vooroorlogse gevoelens over de ondergang van het avondland op de landschappen van Azië. De jonge verteller in dat volledig gefingeerde reisverhaal reist door een vermoeide en uitgemergelde wereld, die op sterven na dood lijkt te zijn; verstoken van geloof in de westerse beschaving, maar opgejaagd door een onuitroeibaar verlangen, zoekt hij naar iets dat hij alleen vaagweg als "geluk" weet te omschrijven.

In Storm en echo (1948) gaat het opnieuw om een aantal ontwortelden die zich aan de natuur overleveren, maar dit keer proberen ze de bron te vinden, "de donkere, verboden plek waar de mens een mens werd." De Amerikaan Samuel begeeft zich in een kleine expeditie naar de binnenlanden van Afrika, speurend naar de eigenaardige Leonard Speght, een man die de "laatste sprong in het duister, die definitieve duik in het onkenbare" heeft gewaagd en spoorloos verdwenen is. Voor Samuel is Speght een ongrijpbaar alter ego, een man die het geheim van zijn eigen zoektocht bij zich draagt. Deze Speght zou door de oerwouden naar de Nagala zijn getrokken, een onopvallende berg, die in de roman langzaam uitgroeit tot een symbool van de duistere kern van het menselijke bestaan.

De personages van Prokosch zijn niet langer complete persoonlijkheden, ze zijn "fragmenten" van mensen, losgeslagen en op drift geraakt, heen en weer getrokken tussen uitersten. Zoals Samuel mijmert terwijl hij 's nachts naar de sterren kijkt: "De nacht, de wereld, de menselijke geest, allemaal leken ze zo verbijsterend paradoxaal, omdat ze zo onveranderlijk waren wat ze waren, maar tegelijkertijd ook het tegenovergestelde, zo altijd aangetrokken door het dichtstbijzijnde dat ook het verst verwijderd was, zo voortdurend verscheurd tussen wat zij van nature bezaten en wat hun hopeloos ontbrak, zo eeuwig verhuld door hun behoefte juist dat te zijn wat ze nooit konden zijn, zo raadselachtig vervloekt doordat het zuivere in hen snakte naar het onzuivere, het scheppende in hen snakte naar zelfvernietiging, het engelachtige in hen snakte naar het wrede. Ik zag het in ons allemaal, het was als het masker van een ongeneeslijke ziekte.'

Net als in De Aziaten vertaalt Prokosch ook in deze roman zulke gevoelens in uiterlijkheden; niet de psychologie van de expeditieleden, maar een oneindige reeks prachtig opgeroepen Afrikaanse landschappen vormt het hart van Storm en echo. Anders dan de zwarten die de expeditie begeleiden, hebben de westerse blanken geen houvast aan een natuurreligie en voorouderlijke overleveringen, waardoor het onverklaarbare bevattelijk wordt. In de natuur die Samuel en zijn lotgenoten omringt, ligt het wezen van de angst die hen voortjaagt besloten; in al zijn misvormdheid, ziekelijk verval en cynische wreedheid is Prokosch' Afrika één groot heart of darkness. "Hier vielen rede en wetenschap af als een cocon, ze werden weggeworpen als slechts vluchtige afscheidingen van het menselijke brein, dat geworteld is in de prehistorie, dat zijn wijsheid put uit een bodemloze bron van lijden.' Er zijn echter ook momenten van verlossende schoonheid; de verteller noemt die "vertwijfelde lofzangen'.

Verschrikkingen

Ook Storm en echo zelf is zo'n vertwijfelde lofzang. Uiteindelijk is het ook de Afrikaanse natuur die de verteller Samuel na alle ontberingen van een tocht door het oerwoud vitaliseert, die een innerlijke bevrijding bij hem bewerkstelligt. De Nagala, waar Leonard Speght zijn levensvervulling vindt, blijkt niet alleen een symbool van het kwaad, maar ook van zelfvernieuwing. Wie zich durft over te geven aan de verschrikkingen van de natuur, zegt Prokosch keer op keer, wacht een wedergeboorte.

Dat lijkt een recept voor kitsch, en ik moet toegeven dat ik de manier waarop Prokosch zijn filosofische bedoelingen onderstreept, hier en daar al te letterlijk en theatraal vind; zijn besef dat de taal tekort schiet om de onderstromen van het bestaan te beschrijven, verhindert hem niet het menselijk tekort keer op keer breed uit te meten in weinig suggestieve monologen. In De Aziaten wist de schrijver zijn bedoelingen beter in zijn verhaal in te bedden. Prokosch' kracht ligt in de poëtische beschrijving - en die kracht is ontzagwekkend, ook in Storm en echo.

Ik ken maar weinig Amerikaanse schrijvers die de natuur zo tastbaar in woorden tot leven kunnen wekken als Prokosch. Hij heeft in het verleden vaak bewondering en verbazing geoogst door het feit dat de meeste van zijn beroemde landschappen geheel en al aan zijn verbeelding zijn ontsproten (hij haalde zijn kennis uit de boeken van anderen, zoals de beste reisschrijvers doen), maar juist dat stelde hem in staat ze betekenis te geven; de natuur bij Prokosch is in laatste instantie altijd een metafoor. Realisme en poëzie gaan bij hem samen.

Ik vermoed dat Prokosch een van die schrijvers is die tot in de eeuwigheid om de zoveel tijd herontdekt zullen worden. Zijn kwalititeiten zijn uniek, er is niemand die echt op hem lijkt, maar zolang het psychologisch realisme nog als de literaire norm beschouwd wordt, zal hij altijd wel een vreemde eend in de bijt blijven. Storm and Echo is op dit moment niet eens in het Engels verkrijgbaar, net als zoveel andere boeken van hem (zijn laatste manuscript, een roman over Rimbaud, voltooid vóór zijn dood in 1989, bleef zelfs onuitgegeven). In de voorbeeldige vertaling van Martha Heesen en de verzorgde band van de Nederlandse uitgever vindt Storm en echo in ieder geval een ideaal tijdelijk onderkomen.

    • Bas Heijne