Galmende hersenoefeningen; Kleine roman van Doeschka Meijsing

Doeschka Meijsing: Vuur en zijde. Uitgeverij Querido. 133 blz. Prijs: ƒ 27.50,-.

Over Doeschka Meijsing is wel opgemerkt dat zij met haar vorige roman De beproeving (1990) een nieuwe richting is ingeslagen. Zij zou haar Revisor-verleden voorgoed van zich hebben afgeschud en daarmee de literatuur om de literatuur hebben ingeruild voor het leven zelf. Of, om Maarten 't Hart nog maar eens aan te halen, zij verving de kroonluchter die niet wil branden door een heus en fel oplichtend vuur.

Natuurlijk liggen de zaken niet zo eenvoudig als ik ze hier voorstel en wordt men van het ene boek op het andere niet een totaal andere schrijver. Maar in vergelijking met haar eerdere werk liet Meijsing zich in De beproeving inderdaad van een hartstochtelijker kant zien. De liefde, dat is het voornaamste onderwerp van deze roman, of liever gezegd: de boosheid om liefde die werd versmaad. Bij alles wat je erop kunt aanmerken - de hevigheid van de woorden, de theatraliteit van de gebeurtenissen - hoeft er niet te worden getwijfeld aan de oprechtheid van de woede die aan de roman ten grondslag ligt en die op elke bladzijde doorklinkt.

Het lijkt wel of Doeschka Meijsing, bij nader inzien, van zoveel schuimbekkend leven een beetje geschrokken is, en ze haar nieuwe roman toch wat meer binnen de literaire perken heeft willen houden. Terug bij wat ooit gemakshalve Revisor-proza is genoemd is ze daarmee niet, want al staat Vuur en zijde bijna ouderwets in het teken van het denken, een belangrijk verschil is dat dit hernieuwde denken niet al te helder is.

Ook in deze roman draait het geheel en al om de liefde, maar op een kunstmatige manier, met veel slagen om de arm en met veel vertoon van rationaliteit. “Ik leg mij toe op hersenoefeningen”, denkt Max, de man die de eerste helft van de roman domineert. En ook zijn tegenspeelster, Marthe, houdt in de tweede helft haar gevoelens zoveel mogelijk onder de duim. Wat Max en Marthe verbindt, iets waar zij pas in deel drie van de roman achterkomen, is dat ze allebei hun hart hebben verpand aan dezelfde vrouw, Didi, die dan al vijf jaar dood is. Uit angst voor de omvang van hun gevoelens hebben ze zich, ieder op hun manier, vijf jaar lang op de vlakte gehouden. Max door een thriller te schrijven in plaats van de beoogde psychologische roman en Marthe door strakke pentekeningen te maken in plaats van kleurrijke, expressieve schilderijen. In de liefde hebben ze zich allebei met een surrogaat tevreden gesteld. Marthe heeft een lichamelijk bevredigende, maar liefdeloze verhouding met een architect, terwijl Max getrouwd is met een leeghoofdig en materialistisch ingesteld Amerikaans vrouwtje. “Ik geniet van de volle, nietszeggende stroom woorden die ze zonder enige moeite produceert”, zo karakteriseert hij haar en de armzalige omgang die hij met haar heeft.

Met zo'n uitspraak zou een schrijver, en dan bedoel ik Meijsing, voorzichtig moeten zijn, omdat hij niet straffeloos in de mond van een personage kan worden gelegd zonder dat men zich gaat afvragen wat dit personage zelf dan wel voor belangwekkends te melden mag hebben. Hier wringt de schoen, want eerlijk gezegd is dat niet gek veel. Max piekert er heel wat af, over de dood, over het schrijverschap, over verliefdheid, over zijn jeugd, over zijn gevoelens voor die ene vrouw en over de tijd: ”de willekeurige vorm van besef die tijd heet en die ernaar verlangt meer te zijn dan tijd'. Maar zijn hersenoefeningen zijn niet erg indrukwekkend, want onveranderlijk aan de vage kant. Zijn gedenk is rijk aan galm en fraai klinkende woorden, maar heeft opmerkelijk weinig substantie. Over zijn vierjarige neefje, dat bij een auto-ongeluk is omgekomen, merkt hij op: “Hij was subliem, schaamteloos, zoals kinderen van vier jaar dat soms kunnen zijn. Alles aan die sublimiteit was nog in statu nascendi, gemaakt met de enige bedoeling er potentie aan te geven.” Wat hier beweerd wil zijn over het neefje, of over vierjarigen in het algemeen, kan ik wel ongeveer raden, maar het is ongelukkig geformuleerd. Het is een stijlfiguur, als je dat zo kunt noemen, waarvan Meijsing zich toch al graag bedient. Marthe mag over Max gerust het volgende beweren: “Marthe zag geen kans hem een dwaas te vinden, daarvoor was hij te intelligent, zag ze.”

Het is, ook na herlezing, moeilijk om te zeggen wat erger is: de machteloze abstracties waartoe Meijsing haar toevlucht neemt, of de onverhoedse gevoelsuitbarstingen, die meestal sentimenteel of pathetisch zijn. Zo is er de larmoyante passage over het schilderij Who's afraid of red, yellow and blue van Barnett Newman, dat Marthe een keer gaat bekijken voordat een vandaal er het mes in heeft kunnen zetten. “De witte trap van het Stedelijk Museum, die haar elke keer als op vleugels naar boven droeg, lokkend naar de gebieden van licht en kleur. Pas als ze die trap weghalen zal ik niet meer in de kunst geloven, had ze eens gezegd. En boven aan die trap hing toen voor het eerst Newmans Who's afraid. Marthe had de laatste treden traag afgelegd, onbestemd bang, het soort angst dat alles wijd maakt, zonder contouren, zonder controle. Staand voor het schilderij had ze tranen over haar wangen voelen stromen. ”Waarom huil je?' vroeg Didi naast haar. Om jou. Maar Marthe had haar schouders opgehaald en gezwegen, ontredderd.”

Het tragische van deze kleine roman zou wel eens kunnen zijn dat hij serieus bedoeld is, hoewel hij nauwelijks serieus te nemen valt. Hoofd en hart, verstand en gevoel schieten tekort. In weerwil van de titel en van de slotepisode waarin voor het eerst de vlammen hoog oplaaien, is Vuur en zijde een al te bedachte liefdesgeschiedenis. De zinnen zijn gewrocht, de gedachten opgeblazen, de romanfiguren veel te hooggestemd, en dus onwaarachtig. Alles onecht, om met Komrij te spreken.