Eric Bolle over architectuur; Grossier in ontheemding

Eric Bolle: Tussen architectuur en filosofie. Uitg. VUB Press, 164 blz. Prijs ƒ 39,-.

Al eeuwenlang gebruiken architecten filosofie om hun werk te rechtvaardigen. De Franse classicist Claude-Nicolas Ledoux beriep zich bij voorbeeld op allerlei Verlichtingsfilosofen en de Russische constructivisten haalden in hun geschriften uiteraard vaak Marx en Engels aan. Ook sommige hedendaagse Nederlandse architecten citeren in hun essays filosofen, zoals Ben van Berkel, die vaak verwijst naar het werk van Nietzsche, Derrida en Heidegger.

Waarom zou een architect zich met filosofie bezighouden? Eric Bolle, docent filosofie aan de Hogeschool De Horst in Driebergen en schrijver van het onlangs gepubliceerde Tussen Architectuur en Filosofie, is daar kort over: “Filosofisch geschoolde ontwerpers zijn betere ontwerpers omdat zij over meer ideeën beschikken om betere beelden te genereren en daar over na te denken.” Het is een stelling die bewijsbaar noch weerlegbaar is. Wie bij voorbeeld zou wijzen op een "filosofische' architect die slechte gebouwen voortbrengt, kan als tegenwerping krijgen dat ze nog slechter zouden zijn als hij zich niet in filosofie had verdiept. Wat wel buiten kijf staat is dat filosofisch geschoolde architecten vaak indrukwekkender over hun werk kunnen vertellen dan hun ongeschoolde vakgenoten. En dit kan zeker helpen bij het verwerven van bekendheid.

Bolle bespreekt in Tussen Architectuur en Filosofie vooral de ideeën van Jacques Derrida, Michel Foucault, Paul Virilio, Jean-François Lyotard en Martin Heidegger, filosofen, kortom, die vaak worden aangehaald door de aanhangers van het deconstructivisme, nog steeds de laatste mode in de architectuur. De moderne wereld is gefragmenteerd, de mens is ontheemd, niets heeft een vaste betekenis, het bestaan heeft geen fundering meer; er zijn alleen nog onzekerheden - om dit soort beweringen gaat het in Bolles boek.

De meeste van deze ideeën klinken inmiddels vertrouwd en zijn al bijna verworden tot clichés. Maar volgens Bolle doen de meeste architecten nog steeds of ze voor de oude, vertrouwde wereld bouwen. Ze vragen zich nog af hoe dik de muren moeten worden en waar de ramen en deuren zullen worden geplaatst, terwijl de gebruikers slechts zijn geïnteresseerd in de plek van de stopcontacten voor hun computers, hun telefoons en hun faxapparaten. Alleen deconstructivisten als Peter Eisenman en Daniel Libeskind proberen hiermee rekening te houden in hun "gefragmenteerde architectuur voor een gefragmenteerde wereld.' Maar eigenlijk is dit de plicht van alle bouwmeesters, vindt Bolle: "de architectuur' moet “ophouden te denken dat zij op de eerste plaats met bouwen en met de gebouwde omgeving van doen heeft, om in plaats daarvan zichzelf op te werpen als de instantie die de nieuwe ruimte-tijd van de gedematerialiseerde wereld ordent en structureert.” Veel meer dan de aloude eis dat de architectuur de maatschappij moet weerspiegelen kan ik hierin niet zien.

Het is Bolles verdienste dat hij op een redelijk leesbare manier laat zien wat de invloed van ondoorgrondelijke filosofen is op de hedendaagse architectuur. Toch staan in Bolle's boek nog de nodige duistere passages, zoals dit citaat van Daniel Libeskind: “Omgaan met het Stedelijke lijkt een onbeschaamdheid die de meest biologische, intieme en verborgen vorm van het huidige bestaan aanneemt, en deze werkelijkheid verandert in een collectief verdichtsel. De ruimte van de Stad is gesloten omdat de structuur ervan transparant is geworden. In plaats daarvan opereert nu de Grossier in Ontheemding, met wiens hulp de stad zichzelf ontdekt als het thans overleden Hotel van het Zijn.” Ik zou werkelijk niet weten wat Libeskind hiermee bedoelt, maar volgens Bolle gaat het om het idee dat men tegenwoordig nauwelijks nog van een stad kan spreken, al houdt hij met formuleringen als "wanneer ik Libeskind goed begrijp' de nodige slagen om de arm. Bolle gaat, Paul Virilio parafraserend, nog verder, de stad is “door de techniek met haar verkeersstromen, haar reclames, haar video, televisie- en computerschermen, haar netwerk van elektriciteitskabels en telefoonlijnen irreëel en transparant geworden, ja volledig verdwenen.”

"Volledig verdwenen', het staat er echt. Het zijn deze en andere pedante overdrijvingen die Bolles boek herhaaldelijk ergerlijk en onzinnig maken. Natuurlijk, het almaar toenemende verkeer en de moderne communicatiemiddelen hebben gevolgen voor het leven en de stad en dus ook voor de architectuur. Maar computers staan nog altijd op bureaus en degenen die ermee werken, zitten op stoelen en niet in de buitenlucht, maar op kantoor of, steeds vaker, thuis. En die kantoren en huizen moeten nog steeds door iemand worden ontworpen.

    • Bernard Hulsman