EG gedraagt zich als weeskind van de Sovjet-Unie

Sinds de komst van de herfst hangt er een sombere sfeer boven West-Europa. Er heerst verwarring en zelfs angst. De kater die volgde op de viering van de val van de Berlijnse muur is verzuurd tot een gevoel van schuld en onmacht. De doden van Sarajevo spoken ons door het hoofd. We lijken verlamd te zijn door onbegrip van het heden en zorgen over de toekomst.

In de nasleep van de Koude Oorlog zoekt de wereld naar een nieuwe samenhang en nieuwe leidende beginselen. De internationale gemeenschap gedraagt zich om zo te zeggen als het weeskind van de Sovjet-Unie.

Het Koude-Oorlogsdenken was een bindende kracht in het Westen. Het heeft plaatsgemaakt voor onderling tegengestelde tendensen. In de economie schrijden mondialisering, onderlinge afhankelijkheid en regionale integratie steeds sneller voort. In de politiek lijkt een nationalistische en etnische versplintering de overhand te krijgen. De overwinning van de vrijheid heeft paradoxaal genoeg een eind gemaakt aan de naoorlogse vrede in Europa.

Ook is, met het eind van de Koude Oorlog, de burgermaatschappij teruggekeerd als een belangrijke factor. Eerst kwam de vreugde over de zege van vrijheid en democratie op het totalitarisme. Maar hoe langer hoe meer gaat men zich ergeren aan het matte, vermoeide politieke systeem.

Er loopt een nieuwe scheidslijn door Europa, waar men hoopte dat het eind van de Koude Oorlog eindelijk de oude eenheid van het continent zou herstellen. Het westelijk deel kent ongekende welvaart, functionerende democratieën en een wat rumoerig maar uiteindelijk toch effectief systeem om het verkeer tussen staten op een veilige, vreedzame manier te regelen. Het oostelijk deel, met Polen en Hongarije als een tussenliggende zone van gedeeltelijk succes, vervalt steeds meer tot een staat van anarchie, zonder politiek gezag maar met economische misère en zelfs de gruwelen van oorlogen en burgeroorlogen en de reprise van uitroeiingsplannen onder het mom van "etnische zuiveringen'.

Europa blijft gespleten en een nieuwe uitdaging dient zich aan: de bescherming van de Westerse verworvenheden tegen de terugkeer van een barbaars verleden in het Oosten, en mobilisering van de Westerse middelen om de verwording in het Oosten te vertragen en te keren.

Na de crisis in het internationale systeem doemt in het Westen de crisis van de staat als institutie op. De staat heeft niet langer tot taak de burgers te beschermen tegen een ondubbelzinnig aangeduide dreiging - het gevaar dat Sovjet-tanks Europa zouden platwalsen. De onzekerheden van thans zijn veelsoortig en diffuus; en in die zin is ook de staat een weeskind van de Sovjet-Unie.

Beroofd van zijn soevereine, Hobbesiaanse veiligheidstaak lijkt de staat ook niet meer bij machte te zijn een antwoord te vinden op de economische crisis, op de werkloosheid of op de monetaire problemen. Doordat de financiële markten op wereldschaal opereren, heeft de staat geen controle meer over de geldstromen, die als marionetten aan een grillige, onzichtbare hand lijken te gehoorzamen. En de Keynesiaanse functie van de staat als regelende macht achter de economie moet nu worden gedeeld met de macht die nationale regeringen hebben verleend aan de Europese Commissie in Brussel.

Sterker nog, politici en de politieke partijen worden verworpen omdat hun taal ontoereikend is en hun handelen onbekwaam. Ze wekken de - grotendeels overdreven - indruk eerst zichzelf te dienen en dan pas het algemeen belang.

In deze onzekere samenhang zou de Europese Gemeenschap de logische oplossing moeten zijn. Alle argumenten die meer dan veertig jaar geleden het Westeuropese opbouwproces rechtvaardigden, gelden nog altijd, op één na: de dreiging van het communisme. Sterker nog: Europa en zijn fundamentele beginselen - verdraagzaamheid, vreedzame samenwerking, deling van macht - zijn thans harder nodig dan ooit.

Met de steeds dieper en bloediger wordende crises in Oost-Europa, is een sterkere integratie van belang als Europa weerstand wil blijven bieden aan de negatieve invloed die ervan uitgaat, en de Gemeenschap model wil blijven staan voor de vreedzame omgang met etnische en staatkundige diversiteit en als een bron van stabiliteit en hulpvaardigheid jegens het Oosten.

De Gemeenschap is tegelijk slachtoffer en oplossing van de bewuste crises. Ze kan een partner zijn voor de voormalige vijanden in het Oosten, maar ze kan ook ten prooi vallen aan hun recalcitrante nationalisme. Ze kan potentiële hegemonieën binnen haar grenzen - bij voorbeeld de Duitse - intomen, maar is er toch bang voor. Ze kan de nationale staat voorzover nodig vervangen, maar kan daardoor nog verder van de burger verwijderd lijken.

Het is niet verwonderlijk dat dezelfde aspiraties en zorgen een aantal Deense en Franse kiezers ertoe hebben gebracht "ja' en anderen om "nee' te zeggen tegen het verdrag van Maastricht. Het democratische proces is vatbaar voor oversimplificering, te meer wanneer naar het middel van de volksraadpleging wordt gegrepen. Was de parlementen gevraagd de wil van hun landen uit te spreken, dan zou het antwoord een daverend "ja' zijn geweest en de ratificatie had thans mooi volgens schema gelopen.

Maar hoe dat ook zij, wat gold voor Denemarken, waar niemand de legitimiteit van het minimale stemmentekort in twijfel trok, zou ook voor Frankrijk en de positieve uitslag moeten gelden. De Europese Unie moet, met een paar aanpassingen, in de loop van volgend jaar de Europese Gemeenschap gaan vervangen, zoals in Maastricht is besloten.

Maar de leiders in Europa moeten wel lering trekken. Ze zouden er verkeerd aan doen de Commissie in Brussel de zwarte piet toe te spelen. Aan hen de opgave hun landgenoten van drie dingen te overtuigen: de innige band tussen de samenleving en de doelstellingen van haar regering, de effectiviteit van het eigen beleid, en de taak waarvoor West-Europa staat in Oost-Europa en de wereld. En dat alles moet gebeuren op zowel nationaal als Europees niveau.

Om de hoop en de dynamiek van de eenwording te herstellen, moeten de leden van de Gemeenschap in december, bij de topontmoeting in Edinburgh, besluiten dat alle staten die het verdrag van Maastricht voor een bepaalde datum (niet later dan maart 1993) zullen hebben geratificeerd, onmiddellijk een aanvullend protocol zullen aannemen en ratificeren waarbij het verdrag gaat gelden voor de bewuste staten - hetzij tien hetzij elf. Aanpassingen aan het verdrag kunnen dan later worden aangebracht; tot herziening in 1996 is trouwens al besloten.

Wat is er mis gegaan met Europa en welke fouten hebben we gemaakt? Waren de versplintering in de Balkan en de oorlog waartoe die leidde onvermijdelijk? Waren de kortzichtigheid en het escapisme van het Westen onvermijdelijk?

Juist omdat we thans met machteloos afgrijzen de terugkeer aanzien van processen die destijds tot Europa's zwartste jaren hebben geleid, is de Gemeenschap als instelling én als belichaming van een gedachte', thans harder nodig dan ooit.

    • Dominique Moïs
    • Cesare Merlini
    • Karl Kaiser
    • Dominique Mosi