Een uitdaging

In de polder gaat de herfst op kousevoeten. Geen spoor van ophef hier. Geen nutteloos vertoon van kleur, alleen een zekere verdoffing, een gestaag voortschrijdende kaalheid - het craquelé van populieren op de einder.

Kil is het wel en het waait nogal en als het begint te regenen ga ik gezellig bij een knotwilg staan. Aan de overkant ligt een blauwe reiger.

Vreemd ligt hij daar, op zijn buik, de kop een beetje teruggetrokken, meer zoals een hond kan liggen. Een levende reiger ligt niet zo. Een dode reiger ligt ook niet zo. Maar of het één of het ander.

Ik verval in een verstarring die kan worden opgevat als een uitdaging aan de zijne.

Wat de veren beweegt is wind. Het kleine gele oog doet niets. De tijd verstrijkt, de spanning stijgt. Ik gooi mijn armen in de lucht en kan het niet helpen, roep boe.

De reiger vliegt!

Hij verheft zich boven het weiland, verzamelt meer en meer lucht onder zijn vleugels. Zijn ene poot steekt naar achteren. De andere hangt pijnlijk neer. Aan deze ontbreken alle tenen.

Straks zal ik een verklaring bedenken. Een molleklem misschien, en dat het aan mij te danken is dat hij zich heeft losgerukt - dat soort dingen.

Voorlopig sta ik sprakeloos van ontzetting.