Een begerige kraai; Gesprek met Corneille, een gewantrouwd schilder

Naast schilderijen maakt Corneille ontwerpen voor balpennen, wijnetiketten en zijn shawls. Zijn commerciële activiteiten hebben de musea er niet toeschietelijker op gemaakt. Maar nu zijn er dan toch twee tentoonstellingen gewijd aan Corneilles werk. “Hier in Nederland zegt men: schilder blijf bij je ezel! In Frankrijk heb ik nooit kritiek gehoord”, vindt Corneille.

Tot 6 december in het Stedelijk Museum in Amsterdam; t/m 31/1 in Museon, Den Haag. Boek: Corneille; het complete grafische werk 1948-1975; 319 pag., 463 ill., ƒ 149,--. In november verschijnt een boek over Corneille's etnografisch bezit.

Corneille is zelf ook verbaasd. Jarenlang heeft hij in Parijs weinig van welk vooraanstaand Nederlands museum dan ook gehoord. En nu ineens halen het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Museon in Den Haag werken van weleer tevoorschijn: grafische bladen in Amsterdam en een beperkte serie schilderijen en prenten in Den Haag, die bovendien nog samengaan met een ruime keuze Afrikaanse etnografische stukken uit Corneilles bezit.

Sinds de jaren vijftig omringt de schilder zich met rituele Afrikaanse houtsnijkunst: een Nigeriaans helmmasker in de vorm van een bijna echt knorrend stekelvarken, een zwanger dametje van de Igbo-stam en, natuurlijk, ook met houten vogels die, gestippeld of gestreept, thuis de wacht over hem houden. De etnografica heeft zijn werk sterk beïnvloed, niet in rechtstreekse afbeeldingen maar in sfeer en schriftuur.

Op zijn Parijse atelier staan de honderden Afrikaanse sculpturen niet in hun eentje te stralen onder een spotje, zoals verderop in de galeries bij de Rue de Seine. Ze hangen en staan bij bosjes tussen de prenten en de boeken. Feitelijke kennis over de maskers en rituele beelden doet voor hem niet ter zake. Corneille (Corneille Guillaume Beverloo, Luik, 1922) voelt een innerlijke verwantschap met hun kracht, hun vitaliteit en hun oorspronkelijkheid. Dat is genoeg.

Vooral de Afrikaanse vogels in Den Haag zijn mooi. Een van deze beelden draagt op zijn gespreide vleugels een jong dat halsreikend uitkijkt naar de verte. Op Corneilles litho's en schilderijen vliegen ze af en aan, want hij ziet ze als symbolen van de begeerte. En omdat ze hun eigen tekens in het luchtruim schrijven, moeten we in elke vogel een zelfportret van Corneille herkennen. Want ook hij pikt op zijn reizen begerig kleuren, sferen en lijnen op die hem in zijn werk te pas komen. Ook hij wil zo vrij als een vogel in leven en werk op avontuur gaan.

Corneille, "kraai' in het Frans, fladdert met zijn roze of pimpelpaarse vleugels boven de lippen, de buiken en de borsten van welgevormde naakten. Soms maakt hij een verwachtingsvolle landing. Zijn vrouwen hebben geen eigen gezicht, ze liggen lui en willoos in het gras - klaar voor de "schilder van het geluk', zoals Corneille zichzelf ziet. Voortdurend streeft hij in zijn werk naar iets paradijselijks, zegt hij. Het leed van de wereld kan hij zich niet aantrekken. Hij vindt zichzelf er simpelweg de persoon niet voor. Vroeger al bekoorde hem vooral de muziek van het gras, waarmee de wind speelde.

Flierefluiter

Corneilles recente "rendez-vous' tussen dame en vogel zijn van een roekeloze zorgeloosheid. Ze vinden gretig aftrek in Nederlandse galeries en warenhuizen. Zijn kleurencombinaties kennen geen grenzen en dat geldt ook voor zijn variaties in vlakverdeling en decoratie. Ze zijn een zonnetje in huis.

Maar dat de schilder zich er ook toe leende om zijn avonturen op wijnetiketten, ballpoints en shawls af te beelden is de laatste jaren bij de gevestigde kunstwereld in minder goede aarde gevallen. Zijn commerciële activiteiten hebben de musea er ongetwijfeld niet toeschietelijker op gemaakt. Een kunstenaar die als vrolijke flierefluiter het bedrijfsleven op zijn wenken bedient, wordt in Nederland met wantrouwen bejegend. Sporadisch een ontwerpje leveren voor een ontbijtservies in beperkte oplage kan nog door de beugel, maar met een "logo' op dassen en champagne-flessen verschijnen, acht men niet "bon ton'. Minachting werd zijn deel toen ook nog de roddelpers zijn persoonlijke kommer en kwel etaleerde.

Corneille begrijpt niets van die "kleinzieligheid'. We spreken elkaar bij uitgeverij Meulenhoff, die vorige week een lijvige, compleet in kleurendruk uitgevoerde oeuvre-catalogus met grafisch werk (1948-1975) presenteerde. “Het is mijn goed recht om te creëren”, zegt hij, “en dat behoeft zich niet te beperken tot het doek. Hier in Nederland zegt men: Schilder blijf bij je ezel! In Frankrijk heb ik nooit kritiek gehoord. Daar koopt men met genoegen een shawl naar ontwerp van Arman of César. Trouwens, al eeuwenlang wendt de maatschappij zich met opdrachten tot kunstenaars. Michelangelo werkte voor de paus, Miró ontwierp in zijn eigen taal schitterende voetbalaffiches en vele anderen, Klee, Picasso en Kandinsky hebben bijoux en vazen gemaakt. Mensen die daar bekrompen over doen ontberen zuurstof in hun hersenen.” Corneille zou graag een opdracht krijgen voor een etiket van het champagne-merk Taittinger. Alleen ondergoed, zegt hij, komt niet voor de "Corneille-taal' in aanmerking.

Uitgeverij Meulenhoff waakt tijdens het interview over de nu 70-jarige kunstenaar die er niet lang geleden slecht aan toe was. We hebben het nog even over het geplande Cobra-Museum in Amstelveen dat er "vanzelfsprekend moet komen, want deze Nederlandse schilders hebben zo'n wereldfaam gekregen dat landen als Frankrijk en Duitsland allang een museum aan hen gewijd zouden hebben'. Over de legendarische Cobra-jaren (1949-1951), waar hij zelden op terugkijkt: “Alleen de toekomst houdt mij bezig”. En over zijn recent verfilmde reis naar Afrika, die vorige week op de televisie werd uitgezonden. Hij zwierf tussen de steenklompen van de Hoggar-woestijn in het zuiden van Algerije, over de saffraan-kleurige markten van Ivoorkust en langs de gemaskerde Dogon-dansers in Mali.

Corneille keerde uit Abidjan terug met een nieuwe echtgenote. Hij heeft haar inmiddels vaak getekend en geschilderd. Eén ding staat al vast: we kunnen in de toekomst "een zwarte triomf' in zijn werk verwachten. Zijn voorspelling roept andere, ook zwarte schilderijen in herinnering, gemaakt door de collega met wie hij altijd in een adem genoemd wordt: Karel Appel. Hij ontmoet hem nog wel eens, evenals Constant die vorige week nog in Parijs was voor de presentatie van een nieuw boek over zijn werk.

Rudimenten

De nu ingerichte Corneille-tentoonstellingen grijpen af en toe terug naar die vrijgevochten Cobra-jaren in Parijs, toen Corneille, Appel en Constant geen stuiver op zak hadden en kunst wilden maken die "niet besmet was met cultuur'. Met het exposeren van portfolio's en enkele op zichzelf staande kleurenlitho's maakt het Stedelijk Museum hinkstap-sprongen door het oeuvre van Corneille.

Het overzichtje begint met een prehistorische versie van een Jip en Janneke die in 1950 een tekst van Simon Vinkenoog opfleurden, en eindigt met een serie uit 1975 van de eerdergenoemde dames met vogels. Daartussen voegen zich die intrigerende tekens, schrifturen en landschappelijke configuraties, soms geënt op eerdere reizen naar Afrika.

Het is interessant te zien hoe vroege, geometrische rudimenten plaatsmaakten voor amoebe-achtige vormen, waarin een grafisch spel met patronen wordt opgevoerd. Sommige litho's uit het begin van de jaren zestig doen denken aan een bovenaanzicht van een Afrikaanse kraal met wegen en bosschages, geïsoleerd in een woestenij. Andere bladen laten een grillige aaneenschakeling van net zo grillige vlakken zien die willekeurig lijken te zijn afgesneden. Later rukte de exotische figuratie steeds verder op. Elke gesloten vorm kreeg zijn eigen dambord-motiefjes, krullen, zonnen of sterren.

De expositie van schilderijen in het Museon - in bruikleen gegeven door onder meer het Stedelijk en particulieren - is net zo fragmentarisch als die in Amsterdam, met dit verschil dat hier het contrast is aangescherpt tussen die mooie experimentele doeken, zoals het macabere Twee Totemwezens, en de latere decoratieve voorstellingen, waarin alles wat groeit en bloeit, vliegt en kruipt is samengebald tot één reusachtig pretpark-affiche.

In beide exposities moet men niet méér zien dan een vriendelijk eerbetoon. De etnografica-verzamelaar kan in Den Haag zijn hart ophalen aan een eigenzinnige collectie die alleen op basis van strikt persoonlijke criteria tot stand is gekomen. De ware Corneille-liefhebber zal de uitgave van Meulenhoff moeten aanschaffen, die respect afdwingt voor een tomeloos gevarieerde grafische produktie.

    • Marianne Vermeijden