Drieëntwintig lijken in een revolutionair water

Dood in de Seine, Ned.3, 23.15-23.55u.

In 1989 kreeg de Britse cineast Peter Greenaway van de Franse televisiezender La Sept de opdracht een videofilm te maken naar aanleiding van het tweede eeuwfeest van de Revolutie. Hij baseerde zich daartoe op de nauwkeurige aantekeningen, die twee employés van het lijkenhuis van de Basse-Geôle de la Seine in Parijs, geheten Daude en Bouille, tussen april 1795 en september 1801 hadden bijgehouden over de 306 in deze periode in de Seine aangetroffen stoffelijke overschotten. Ze beschreven gedetailleerd de plaats waar het lijk was gevonden, de kleding en de inhoud van de zakken, alsmede aanwijzingen omtrent tijdstip en oorzaak van het overlijden. Ook werd de identiteit van de dode opgetekend en naam en beroep van degenen die hem identificeerden.

Het resultaat van Greenaway's inspanningen is een door Fransen en Nederlanders gecoproduceerde videofilm van 43 minuten, Les morts de la Seine / Dood in de Seine waarin 23 slachtoffers met naam en toenaam uit de doeken gedaan worden. Nederlandse modellen poseerden als de zorgvuldig gegrimeerde lijken, die elk van top tot teen naakt door de camera van Jean Penzer opgemeten worden. We zien de twee lijkenwassers als twee figuren uit een poppenkast, werken, drinken en ruzie maken. De achtergrond bestaat regelmatig uit hun handschrift, waarin een blokje rimpelend water gemonteerd is. De geluidsband bevat commentaar van Greenaway, dat in beide versies, Frans en Nederlands, uitgesproken wordt door een onzichtbare verteller. In de Nederlandse versie is dat Emile Fallaux, die vermoedelijk nog geen directeur van het Filmfestival Rotterdam was, toen hij de tekst nogal vlak oplas en zeker niet toen dat festival de film in 1990 al vertoonde. Ook Greenaway's huiscomponist Michael Nyman laat zich niet onbetuigd.

De vermoedens en deducties over de doodsoorzaak van de getoonde Franse burgers, die allen de Revolutie, de Terreur, het Directoire en het begin van het Consulaat hebben overleefd, schaatsen op glad ijs, want de chroniqueurs waren geen patholoog-anatoom of anderszins medisch geschoold. De indruk bestaat dat er nogal wat zelfmoordenaars bij waren, vooral onder jonge vrouwen. Anderen verdronken bij het baden, vielen van de loopplank van een dekschuit, kwamen door roofmoord om het leven of waren misschien al dood, voordat ze in het water belandden. Het verband tussen hun overlijden en de specifieke eigenschappen van de tijd, waarin ze leefden - waarschijnlijk de oorspronkelijke doelstelling van de film - komt niet erg duidelijk naar voren. Wel merkt Greenaway op dat het gemiddelde van één lijk per week, dat in de Seine drijft, niet afwijkt van het huidige.

Les morts de la Seine werd gemaakt nà TV Dante en vóór Prospero's Books. De vormgeving, die geraffineerd gebruikt wordt van de grote mogelijkheden van digitale montage, kan goed beschouwd worden als een voorstudie van laatstgenoemde film. Inhoudelijk biedt Greenaway's bijdrage aan de "Bicentenaire' weinig nieuws, zeker niet wanneer de uitzending door co-producent NOS drie jaar later plaatsvindt. De film is koren op de molen van degenen, die Greenaway een oppervlakkige boekhouder en mediamanipulator achten. De film wordt een stuk interessanter, wanneer men de mogelijkheid overweegt dat Daude en Bouille nooit bestaan hebben en dat Greenaway, net als in bijvoorbeeld zijn film The Falls, alle biografieën van de overledenen gefingeerd heeft. Over dat vermoeden valt echter geen zekerheid te krijgen.