Diner voor een vlinder

Op een ochtend hoorde ik iets fladderen. Het geluid kwam van boven uit het huis.

“Misschien is de zolder vannacht door een vleermuis gekraakt,” zei mijn vriend Jan. “Als ik een vleermuis op zolder vind, stuur ik hem weg,” zei ik. “Vleermuizen zijn beschermde dieren, die kun je niet zomaar op straat zetten,” zei Jan. “Die vleermuis is vast een luiwammes anders zou hij wel op zoek zijn gegaan naar een leegstaande grot,” zei ik. “Er zijn nu eenmaal geen grotten in de buurt en zo'n beest moet toch ergens slapen,” zei Jan. “Durf jij op zolder te gaan kijken?” vroeg ik. “Ik hoop dat er een pipi-strel-lus-pipi-strel-lus op zolder zit, die hebben namelijk zo'n verduveld leuk roodbruin pelsje,” zei Jan terwijl hij de zoldertrap opliep.

Ik hoorde Jan op de zolder stommelen en daarna de trap afdalen. “En?” vroeg ik toen Jan weer beneden was. “Er is op zolder helaas geen pipi-strel-lus-pipi-strel-lus te bekennen,” zei Jan. “Wat is eigenlijk een pipi-strel-lus-pipi-strel-lus?” vroeg ik. “Oh, dat is gewoon een dwergvleermuis,” zei Jan.

Na een tijdje hoorde ik opnieuw iets fladderen. “Dat enge fladderende ding komt steeds dichterbij,” zei ik. “Het geluid komt nu van de gang,” zei Jan. “Durf jij op de gang te gaan kijken?” vroeg ik. Toen Jan op de gang was, deed ik gauw de kamerdeur dicht.

“Ik heb het enge fladderende ding ontdekt! Het lijkt op een schijfje boomschors maar het is een vlinder,” hoorde ik Jan roepen. Ik opende de kamerdeur en zag op het gangraam een somber ogend insekt zitten. Zijn grote, dichtgeklapte vleugels hadden de kleur van natte boomschors. Toen ik naderbij kwam, spreidde de vlinder plotseling zijn vleugels uit. Ik schrok want in een flits zag ik vier uile-ogen opdoemen. Het volgende ogenblik had de vlinder zijn vleugels weer ingeklapt.

Ik opende het gangraam voor de vlinder maar hij maakte geen aanstalten om naar buiten te vliegen. “Het is nu geen vlinderweer. Het waait te hard en het regent,” zei Jan. De vlinder spreidde opnieuw zijn vleugels uit. In scheervlucht dook hij door de geopende deur de kamer binnen. “Hij zoekt de warmte op,” zei Jan. De vlinder nam plaats op een bijzettafeltje waar hij de rest van de dag bleef zitten.

De volgende dag zat de vlinder er nog, maar toen de zon weer begon te schijnen, verplaatste hij zich naar de balkondeuren. Ik zette de balkondeuren op een kier. De vlinder zat nu op de tocht, zijn vleugels trilden in de wind maar hij vertikte het om naar buiten te vliegen. Aan het eind van de week was de vlinder nog steeds in huis. Als de zon scheen, koekeloerde hij steevast naar buiten door de ramen van de balkondeuren en bij lelijk weer zat hij te suffen op het bijzettafeltje. Zodra ik bij hem in de buurt kwam, toonde hij de bovenkant van zijn vleugels. Daardoor ontdekte ik hoe mooi de vlinder was. Zijn vleugels waren rood en lichtpaars en er waren vier geel omrande vlekken op getekend die precies op ogen leken. “Ik dacht dat vlinders maar één dag leefden,” zei ik tegen Jan. “Maar deze vlinder is een dagpauwoog en dagpauwogen blijven overwinteren,” zei Jan. '“Die vlinder zal intussen wel rammelen van de honger maar ik weet niet wat ik hem te eten moet geven. Er is hondevoedsel, er zijn katteblikken maar vlinderblikken zijn er niet voor zover ik weet,” zei ik. “Geef hem wat fruit, dat ligt toch maar te rotten op de schaal,” zei Jan. Ik zette een schoteltje met een beurse peer, een rotte appel en een snotterige druif op het bijzettafeltje. “Doe er nog maar een verlepte snijbloem bij,” zei Jan. “Een verse bloem lijkt me gezonder eten voor een vlinder,” zei ik. “Ik ga wel even een bloem plukken,” zei Jan.

Na een tijdje verscheen Jan met een bosje brandnetels. “Ik zag zo gauw geen bloem,” zei Jan terwijl hij de brandnetels op het bijzettafeltje legde. De vlinder, die nog geen hap van het vlinder-diner had genomen, werd nu ineens bewegelijk. Hij fladderde een rondje boven de brandnetels en daarna zoefde hij naar de balkondeuren. We dachten eerst nog dat de vlinder weer voor het raam zou gaan zitten. Maar dit keer vloog hij meteen naar buiten. “Jammer,” zei ik. “Het had mij wel leuk geleken om een vlinder als winter-logé te hebben.” “Vlinders zijn mooi maar je weet nooit wat je aan ze hebt,” zei Jan. “Dwergvleermuizen zijn veel aanhankelijker. Een pipi-strel-lus-pipi-strel-lus is al dolgelukkig als hij op een kale zolder mag overwinteren. Aan één dwergvleermuis op zolder heb je meer dan aan tien verre vlinders.”

    • Betty van Garrel