De vergaarbak wereldmuziek; De platenindustrie gooit alle niet-westerse muziek op een hoop

Wat hebben Zaïrese disco, Javanese hofmuziek en Cubaanse mambo's met elkaar gemeen? In de platenwinkel ligt het allemaal door elkaar in de bak "wereldmuziek'. Toch is de muziek uit deze bak makkelijk in twee soorten te verdelen: muziek die de potentie heeft om muziek van de hele wereld te worden, net als de barok en de rock 'n roll, en muziek die alleen interessant is voor musicologen en toeristen.

Op de Music Meeting Nijmegen in concertgebouw De Vereeniging spelen za 31 okt. o.a. Youssou N'Dour, "Brotherhood of Breath' (Engeland), Najat Aatabou (Marokko) en "Nueva Generaçion La Banda' (Cuba). Zo 1 nov.: Andy Narell Group (VS), Oumou Sangare (Mali), Abdoe Dagir (Egypte) en Kip Hanrahan Exotica (VS).

Village Music of Bulgaria (979 195-2); Javanese Court Gamelan (7559-72044-2); Tibetan Bhuddism (979 198-2); Shakuhachi-The Japanese Flute (9 72076-2); Japan, Traditional Vocal & Instrumental Music (972 072-2); China: Music of the Pipa (9 72085-2); Iran: Persian Classical Music (9 72060-2); Mexico: Fiestas of Chiapas & Oaxaca (9 72070-2); Ghana: Ancient ceremonies, Songs & Dance Music (7559-72082-2); Kenya & Tanzania: Witchcraft & Ritual Music (7559-72066-2). Alle op het label Elektra Nonesuch, Distributie: Warner Music.

Le Mystère des Voix Bulgares: Pippero (JARO 163-3); Jana (JARO 4164-3); With Love from Bulgaria (JARO 4165-2). Distributie: Virgin.

Der Bleiche Mond - Alte instrumentale Volksmusik aus Slowenien (Trikont US-0182); Yikhes - Frühe Klezmer-Aufnahmen von 1907-1939 (Trikont US-0179). Distributie: Music & Words.

Elke serieuze platenzaak heeft tegenwoordig wel een rubriek "Wereldmuziek', soms een bakje met twintig cd's, soms een hele afdeling. Voor wie daar iets zoekt, is het vaak even wennen. De platen zijn niet alfabetisch op naam van de artiesten gerangschikt, maar staan per land of zelfs werelddeel bij elkaar. Stijl en historie lijken niet van belang. Bij India vindt men zowel oeroude raga's als modieuze filmmuziek, bij Afrika staan historische "veldopnamen' uit Kenia, hitsige disco uit Zaïre en koloniale palmwine-liedjes uit Nigeria vrolijk door elkaar.

Waar staat "wereldmuziek' eigenlijk voor? Wat moeten een extraverte Bulgaarse bruiloftsband en een dromerig gamelanorkest uit Bali zo dicht bij elkaar? Wat heeft de mambo uit Cuba met Griekse rebetika uit te staan? Wat hebben, deze en nog veel meer genres met elkaar gemeen dat eenzelfde noemer rechtvaardigt?

Ook zonder luisterproef is één conclusie snel te trekken: "wereldmuziek' is vooral derde-wereldmuziek. Het weglaten van het rangtelwoord is niet alleen praktisch, het is ook beter voor de verkoop. De "derde wereld' wordt geassocieerd met armoe en ellende, en waar het economisch slecht gaat, zal het muzikaal wel niet beter zijn.

Wie het etiket "wereldmuziek' heeft bedacht, staat niet vast. Het schijnt dat componist Karlheinz Stockhausen het wel eens gebruikte, en op sommige Amerikaanse conservatoria was het begrip midden jaren tachtig al in zwang. Tot de platendetaillist drong het door nadat in 1987 een club van twaalf kleine Britse platenlabels het etiket voor promotie-doeleinden was gaan gebruiken. Ze bedoelden er "pop van niet-westerse oorsprong' mee, muziek die ook in het westen populair(der) zou kunnen worden gemaakt. Het aanbod van deze independents was stilistisch divers, van de op songfestivals niet onbekende Jemenitisch-Israëlische zangeres Ofra Haza tot de religieus extatische soefi-muziek van de Indiase zwaargewicht Nusrat Fateh Ali Khan.

Grote platenconcerns vonden de nieuwe rubriek wel handig, niet alleen om nieuw niet-westers talent als Youssou N'Dour en Salif Keita te presenteren maar ook om het "vreemdgaan' van witte helden als Peter Gabriel en Paul Simon te kunnen plaatsen. Vervolgens belandden ook "exotische' kassuccessen van vroeger als de Kilima Hawaiians, Amalia Rodrigues en Los Paraguayos in de bakken wereldmuziek.

Bulgaarse stemmen

Dat de platenbranche het soms zelf niet meer weet, blijkt bij de heruitgave van een tiental cd's op het label Elektra/Nonesuch, onderdeel van het Warner-concern. De cd's worden aangeboden door de klassieke tak van dit bedrijf maar het is een dame van de popafdeling die me te woord staat als ik om toelichting vraag. Misschien niet zo vreemd als men bedenkt dat juist Warner er eind jaren tachtig tot ieders verbazing in slaagde hoge verkoopcijfers te halen met Le Mystère des Voix Bulgares. Ook Warner zelf moet versteld hebben gestaan; een vrouwenkoor uit Bulgarije, kon men daar geld mee verdienen? Het Duitse platenlabel JARO heeft nu als voorschot op de nieuwe cd From Bulgaria with Love twee singles uitgebracht. "Pippero' ("No 1 hit in Italy') laat voornamelijk een Italiaanse animator aan het woord; "Jana' is disco in 123,5 respectievelijk 140 BPM (beats per minute). Het succes van het Bulgaarse vrouwenkoor wordt nog raadselachtiger als men bemerkt dat Nonesuch al in 1971 twee lp's met staaltjes van deze virtuoze zang uitbracht: Music of Bulgaria en In the Shadow of the Mountain. Beide titels staan nu op een cd met als hoogtepunt het stuk Delyo waarin zangeres Valya Balkanska, begeleid door twee doedelzakken, bloedstollend verhaalt hoe de held (een soort Robin Hood) de Turken tegemoet treedt.

De heruitgave Javanese Court Gamelan, ademt een andere sfeer, al was het maar door de opnametechniek, die ook gemompel van musici en straatgeluiden heeft "meegenomen'. Wat deze cd met de vorige gemeen heeft is meeslepende zang. De vraag die zich hierbij opdringt is die welke ook de platenindustrie ongetwijfeld graag beantwoord zou zien. Waarom bereikten de dames uit Bulgarije de (semi) hitstatus wel en het mannen/vrouwenkoor uit Java niet? Misschien is de Javaanse zang te langgerekt en te "slordig' voor het westerse oor. Het repetitieve gebrom van veertig monniken op Tibetan Buddhism is vooral curieus. Dat de langste "tantra' op deze cd 41 minuten beslaat in plaats van de 7,5 uur die er in het klooster voor staat, voelt een seculiere westerse luisteraar absoluut niet als een tekort.

Bamboefluit

De overige cd's van deze stapel vallen uiteen in twee categorieën: in Amerika gemaakte studio-opnamen van klassieke oosterse musici en op locatie gemaakte opnamen van "volksmuzikanten'. Het beheerste, veelkleurige solospel van Kohachiro Miyata op de Japanse shakuhachi (bamboefluit) vergt een even aandachtig oor als een modern westers blokfluitrecital. Dat deze muziek ooit echt populair wordt, hier of waar ook, is niet waarschijnlijk. Op Japan, Traditional Vocal & Instrumental Music horen we Miyata's bamboefluit samen met andere Japanse instrumenten. De stem van Ayako Handa verhoogt het dramatisch gehalte. Op China (1979) demonstreert Lui Pui-yuen de pipa, een luit met fretten. Hij spaart de vier snaren niet en doet bij vlagen denken aan underground gitaarfreaks als Fred Frith en Derek Bailey zonder hun elektronica. Hoewel deze laatste twee cd's uit het verre oosten komen, klinken ze bijna plaats- en tijdloos, waarschijnlijk dankzij hun hoge graad van abstractie. Het is klassieke muziek die toevallig niet-westers is.

De cd's met de titels Mexico, Ghana en Kenya & Tanzania zijn aardser van toon. Deze ter plekke opgenomen "fiestas', "ancient ceremonies' en "ritual dances' lijken onverbrekelijk verbonden met bepaalde landschappen en gewoonten, dingen dus die veranderlijk zijn en sinds deze opnamen inderdaad zijn veranderd. De opnamen hebben iets ouderwets, als de foto's van tempo doeloe. De met vuurwerkknallen opgesierde Mexicaanse muziek klinkt zo vitaal dat je je reserves vergeet, ook bij een kitscherig walsje. Bij de Afrikaanse cd's echter slaat de twijfel toe. Is de in Lamu, Kenia vastgelegde "Coconut Pickers Song' niet net zoiets als de eind jaren dertig ergens in Alabama vastgelegde laatste "Cotton Picker Song 'van Blind Boy... (willekeurige grijsaard met gitaar)? Dit is de "pure' volksmuziek, trouwhartig vastgelegd door antropologen die het platteland afstropen voor het te laat is, vergetend dat er in de snel groeiende grote stad verderop hele andere muziek wordt gemaakt, misschien minder "authentiek' maar wel spannender. “Zolang er volk is, is er volksmuziek,” zei Louis Andriessen eens opgewekt tijdens een interview. Maar hij voegde er wel aan toe: “Als kunst niet kan worden overgedragen aan mensen buiten een bepaalde regio, dan ontbreekt er blijkbaar iets aan. Dan is het hoogstens interessante folklore.”

Toerist

Deze laatste uitspraak lijkt een degelijk handvat om de "wereldmuziek' op een andere dan geografische manier onder te verdelen. Namelijk in muziek die de potentie heeft om muziek van de (hele) wereld te worden, net als de barok, de symfonische muziek, de klassieke oosterse muziek en de rock 'n roll, en muziek die zich nooit verspreiden zal. Deze tweede soort is misschien charmant voor de toerist of interessant voor de scriptie van een ethno-musicoloog maar als universele kunst te verwaarlozen.

Sterker nog dan bij de Nonesuch cd's dringt deze indeling zich op bij twee fraai verpakte cd's van het Duitse label Trikont. De eerste, Der bleiche Mond - Alte instrumentale Volksmusik aus Slowenien, is geen reclame voor deze nieuwe staat. Wie is er gediend met suffe deuntjes, haperende harmonica's, knarsende violen en valse fluitjes?

De overstap naar Yikhes - Frühe Klezmer-Aufnahmen von 1907-1939 is er een van hel naar hemel. Schitterend gedocumenteerd met een tekst- en fotoboekje van veertig pagina's vormen de achttien opnamen op deze cd prachtig "verdiepingsmateriaal' voor iedereen die door de huidige klezmer-revival aangestoken is. Een Roemeense doina, in 1922 opgenomen in New York, het "Staatsensemble van Joodse Volksmusici' waarschijnlijk eind jaren dertig ergens in de Sovjet-Unie vastgelegd, een khudsidl omstreeks 1910 op de plaat gezet in Boekarest. De opnamen zijn niet alleen historisch interessant. Je hoort musici die echt kunnen spelen: de klarinettisten Naftule Brandwein en Dave Tarras, trombonist Sam Spielman en cimbalomspeler Joseph Moskowitz bij voorbeeld. Dat sommige van hun opnamen doen denken aan de eerste platen van de Original Dixieland Jazz Band (1917) maakt duidelijk dat echte wereldmuziek absoluut niet "puur' hoeft te zijn. Veel "zwakke' (folkloristische) muzieksoorten wisten juist door vermenging te overleven. De Ghanese slagwerkmuziek leeft voort in de jazz en zonder hillbilly was er nooit rock 'n roll geweest. Zigeunermusici laafden zich aan de regionale bronnen van Hongarije, Turkije en Spanje, jiddische musici bleken niet ongevoelig voor de klanken van Rusland, Roemenië en Polen en later die uit New York en Tel Aviv. Dat in die laatste twee steden tientallen nationaliteiten wonen kan geen toeval zijn. Zoals het geen toeval was dat de jazz zich ontwikkelde in Basin Street, where all the folks meet, de hindi-pop in Londen en de raï in Parijs.

    • Frans van Leeuwen