De rol van de zwart-wit geblokte hermafrodiet

Omdat ik nu eindelijk eens wilde weten wat ik moest doen om mijzelf een intellectueel te mogen noemen, kocht ik een bundel wijsgerige opstellen met de titel: De rol van de intellectueel. Voor de oorlog, toen inflatie nog niet bestond en een sigaar een halve cent kostte, zou zo'n boekje ongetwijfeld De taak van de intellectueel hebben geheten, maar de filosoof van nu stelt zich noodgedwongen wat bescheidener op.

Wie zo'n boekje leest, wil in de eerste plaats weten wat een intellectueel onderscheidt van een niet-intellectueel. Een van de auteurs, de post-doctoraal hoofddocent Sjaak Koenis, geeft op die vraag het volgende antwoord: “Mensen die een intellectuele rol vervullen (...) kunnen uiteenlopende dingen doen: waken over het zieleheil van mensen, politiek bedrijven, de maatschappij bekritiseren, de media bespelen, boeken schrijven, allemaal zaken die anderen ook doen; maar wat hen van die anderen onderscheidt, is dat zij dit met intellectuele middelen doen.”

Mijn boerenverstand zegt me dat we hiermee geen stap verder zijn gekomen, want van de middelbare school herinner ik mij dat het onverstandig, zelfs verboden is, om in een definitie het object van die definitie te laten terugkeren. Als je een vogel wilt definiëren, moet je niet zeggen: een vogel onderscheidt zich van andere dieren, doordat het zich als een vogel voortbeweegt. Althans, zo is het mij geleerd, maar ik geef toe dat ik het nooit tot post-doctoraal hoofddocent heb gebracht.

Ik liet mij door deze epistemologische tegenslag echter niet ontmoedigen en besloot de eigenschappen te inventariseren, die volgens het boekje kenmerkend zijn voor de intellectueel. Het werd een hele waslijst. Logisch, want een intellectueel is nu eenmaal niet iemand van de straat. Hieronder volgt een kleine bloemlezing uit die waslijst.

Een intellectueel, zegt het boekje letterlijk, moeten wij zoeken precies op de plekken waar ideeën en praktijk als het ware langs elkaar heen schuren. Daarentegen moeten wij de intellectuele rol niet als te intentionalistisch en activistisch opvatten. Bovendien laat de intellectueel zich niet alleen begrijpen als het produkt van allerlei moderniseringstendensen; hij vormt daarvan evenzeer het contrapunt. Daar komt nog bij, en ik citeer weer uit een ander opstel, dat de moderne intellectueel zich niet tevreden kan stellen met een beroep op “de redelijkheid van de mens”, maar genoodzaakt is een keuze te maken voor een bepaald concrete persoon, zaak of groep. Het gevolg daarvan is een ambivalent, vaak zelfs een gespleten zelfbeeld.

Wij gaan verder. Het moderne tehuis van de intellectueel is de openbare mening. Moderne intellectuelen moeten balanceren tussen distantie en betrokkenheid en velen onder hen hebben zich ontwikkeld tot ware evenwichtskunstenaars. Intellectuelen zijn zwemmers zonder water. De intellectueel van nu heeft besloten contextualist te worden. In het besef dat hij geen vaste bodem heeft, kiest de intellectueel als uitweg voor de ironie. Een intellectueel is in diepste wezen een migrant.

“Om de intellectueel die de helling bewandelt te vangen in taal”, schrijft Annemarie Mol in het boekje, “Kunnen metaforen gedienstig zijn”: de centaur, de halfbloed, de hermafrodiet of de belezen inboorling. Annemarie noemt ook nog de cyborg, maar ik ben te weinig intellectueel om te weten wat het is. Een cycloop met twee ogen? De intellectueel, gaat zij voort, leeft niet vanuit één logica, maar altijd vanuit minstens twee. Intellectuelen bezitten niet één identiteit en hoeven er ook niet naar te zoeken. Zij staan vooral niet keurig in het midden. Mengsels, zijn het, die intellectuelen: “Zwart-wit geblokt, roodbont gevlecht, fractalen van geel en blauw.”

Met deze bloemlezing zou ik nog wel een tijdje door kunnen gaan, maar het lijkt mij zo wel genoeg. Ik zal ook niet ingaan op de vraag hoe je vanuit een logica kunt leven, het onderwerp is al zompig genoeg. Ziet u trouwens de moderne intellectueel al voor u?

Daar sjokt hij over straat, zwart-wit geblokt, een bijl in het gespleten hoofd, fractalen van geel en blauw op zijn overjas, balancerend op een smalle draad, maar altijd op weg naar een plek waar ideeën en praktijk als het ware langs elkaar heen schuren. Een migrant die zich nergens thuis voelt. Omdat hij niet leeft vanuit één logica maar vanuit vele paradoxale logica's, die hem krankzinnig maken, ziet hij alleen nog een uitweg in de ironie. Vertwijfeld, maar ook als grapje springt hij in de gracht, maar weer heeft de sukkel pech. De gracht is gedempt, hij is immers een zwemmer zonder water.

Zal ik dit zwart-wit geblokte stadium van zelfvernedering ooit bereiken? Ik vrees van niet. Ik vrees dat ik nooit in staat zal zijn te voldoen aan de eis, die de socioloog Hans Harbers aan de intellectueel stelt, namelijk om “de deconstruerende, debunking heuristiek van het differentiedenken aan te vullen met een even krachtige heuristiek in precies de omgekeerde richting; een aanpak die juist orde aanbrengt in de chaotische wereld, die tegenstellingen niet alleen in beweging zet, maar ook fixeert.” Gisteren nog heb ik mij een paar uur in een lege badkuip teruggetrokken, om mij, zwemmend als een zwart-wit geblokte hermafrodiet, over te geven aan de debunking heuristiek van het differentiedenken, maar op de een of andere manier wilde het niet vlotten.

In het voorwoord zegt de filosoof Lolle Nauta dat het boekje voorstellen doet om de term intellectueel opnieuw te ijken. Dat schijnt hard nodig, maar waarom eigenlijk? Wie heeft er wat aan, om een afbakening tussen intellectuelen en niet-intellectuelen vast te stellen? Vermoedelijk alleen de man die handtekeningen verzamelt voor weer een zinloos pamflet. In mijn naïveteit heb ik altijd gemeend dat het genoeg was om een intellectueel te omschrijven als iemand die af en toe een heel klein beetje probeert na te denken. Maar het gekke is dat die eigenschap nergens in dit pompeuze boekje wordt genoemd.