Boven de barakken zweeft de berg Fuji; De tweespalt in de concentratiekampen voor Japanse Amerikanen

Vrijwel alle Amerikanen van Japanse afkomst werden na de aanval op Pearl Harbor opgesloten in concentratiekampen. De getroffen Japanners worden in de meeste Japans-Amerikaanse literatuur geportretteerd als loyale Amerikanen die niets liever wilden dan hun nieuwe vaderland dienen en desalniettemin slachtoffer werden van hysterisch racisme. In Californië is nu een expositie te zien van in deze kampen gemaakte kunst. Over de tegenstellingen tussen de verschillende generaties Japans-Amerikanen spreekt maar één schilderij.

De tentoonstelling View From Within in de Wight Gallery op de campus van de Universiteit van California in Los Angeles duurt t/m 5 dec. Catalogi: The View From Within. Japanese American Art from the Interment Camps 1942-945. Uitg. Japanese American National Museum, UCLA Asian American Studies Center.

Maisie en Richard Conrat: Executive Order 9066. The internment of 110.000 Japanese Americans. New Edition. Uitg. UCLA Asian American Studies Center.

John Okada: No No Boy. Uitg. University of Washington Press, 1980. Prijs ƒ 24,20.

Cynthia Kadohata: The Floating world. Uitg. Ballantine, 1991. Prijs ƒ 11,20 (pocket).

Theodore Iida uit Richmond, Californië, studeerde onlangs met een speciale ceremonie af aan de Universiteit van Berkeley. Iida droeg de vierkanten steek en de mantel die bij dergelijke plechtigheden gebruikelijk zijn en dankte met betraande ogen in een kort toespraakje de universiteit voor deze erkenning. Er waren voor deze gelegenheid veel vrienden, familieleden en belangstellenden op de been, niet alleen voor Iida maar ook voor de zeventien andere Amerikanen van Japanse afkomst die bij dezelfde plechtigheid werden gehonoreerd.

Het was dan ook een bijzondere gebeurtenis: Theodore Iida is 72 jaar. In juni 1942, kort voordat hij zou afstuderen, werd hij samen met 110.000 anderen van Japanse afkomst geïnterneerd in een kamp - in zijn geval in Topaz, Utah - waar hij zou moeten blijven totdat hij in 1945 alsnog de gelegenheid kreeg dienst te nemen in het Amerikaanse leger. Hoewel hij en de zeventien anderen van de Class of '42 vanuit hun concentratiekampen schriftelijk voldeden aan de resterende formaliteiten, duurde het een halve eeuw voordat hun academische status werd erkend.

Op 19 februari 1942, ruim twee maanden na de Japanse aanval op Pearl Harbor, tekende president Franklin Roosevelt de Executive Order 9066, die de militaire autoriteiten in de drie westelijke staten van het Amerikaanse vasteland de volmacht gaf individuën in die gebieden te interneren om redenen van "militaire noodzaak'. In de praktijk bleek dat een volmacht om alle Amerikanen van Japanse afkomst, ongeacht leeftijd, status of gezindheid, naar kampen af te voeren waar het merendeel van hen tot het eind van de oorlog opgesloten zou blijven. Nu, na een halve eeuw wordt deze weinig bekende oorlogsgeschiedenis in de Verenigde Staten herdacht met onder andere een tentoonstelling van schilderijen en tekeningen die in de kampen werden gemaakt. In een tijd waarin Japan in brede kring opnieuw als vijand - zij het een strikt economische vijand - wordt gezien kon ook president Bush er niet omheen te verklaren dat "de internering van Amerikanen van Japanse afkomst een grote onrechtvaardigheid (was) die nooit zal worden herhaald'.

Dat die "onrechtvaardigheid' zo lang onerkend is gebleven heeft, zo wordt dezer dagen van verscheidene kanten gesuggereerd, vooral te maken met de weinig geruchtmakende manier waarop de slachtoffers van deze deportatie-politiek na de oorlog tot de orde van de dag overgingen (voor zover dat kon in een nog steeds van anti-Aziatisch racisme doortrokken atmosfeer). Telkenmale werd erkend, zowel van officiële als van onofficiële zijde, dat er in de oorlogsjaren geen enkel geval bekend is geworden van sabotage, spionage of andere bedreiging van de Amerikaanse veiligheid door Japans-Amerikanen. De Amerikaanse regering betaalde aan middenstanders en zakenmensen en anderen die hun bezittingen waren kwijtgeraakt een schadevergoeding die in geen verhouding stond tot het werkelijke verlies. Maar een uitbarsting van verontwaardiging bleef uit - en blijft uit.

Benzinestations

De tentoonstelling van beeldende kunst uit de kampen in de Wight Art Gallery, op de campus van de Universiteit van Californië in Los Angeles, is een van de manieren waarop herdacht wordt dat deze curieuze geschiedenis een halve eeuw oud is. Maar de Japans-Amerikaanse na-oorlogse literatuur is doortrokken van deze traumatische gebeurtenis en wie bedenkt dat er geen enkele Japans-Amerikaan van vijftig of ouder is die niet in een kamp heeft gezeten, kan dit niet verwonderlijk vinden. Men kan de ervaringen van de kampen terugvinden in de mooie, licht getoonzette verhalen van Hisaye Yamamoto en de toneelstukken van Wakako Yamauchi, in de film Farewell to Manzanar van John Korty en in de roman Heart Mountain van de (niet-Japanse) schrijfster Gretel Ehrlich.

Maar ook een volgende generatie blijkt er moeilijk van los te komen. Cynthia Kadohata's The Floating World is het fragmentarisch vertelde verhaal van een gezin van Japans-Amerikanen die in de jaren dertig als dagloners door de westerse staten trekken. Haar "floating world' is die van de benzinestations, motels en wegrestaurants die ze noodzakelijkerwijs aandoen; erg veel referentie aan, of bewustzijn van Japanse afkomst lijkt er niet in de roman verscholen te zitten. “Maar,” zegt de schrijfster, “voor de goede verstaander is het duidelijk dat een blanke of zelfs een zwarte familie in die jaren niet voortdurend op stap zou hoeven te zijn, zoekend naar werk, op de vlucht voor discriminatie.”

Hysterie jegens en discriminatie van Japanners in de Verenigde Staten dateert al van ver voor de Tweede Wereldoorlog. Japanners begonnen tegen het eind van de vorige eeuw in dit land te arriveren om als dagloners op plantages en bij spoorwegen te gaan werken, maar ze bleven bij voortduring het slachtoffer van maatregelen die hen uitsloten van vakbonden, scholen en verenigingen. In 1922 werd door een van hen, Takao Ozawa, de Naturalization Act van 1790 aangevochten die naturalisatie tot "vrije en blanke immigranten' beperkte, maar het Hooggerechtshof verwierp zijn beroep en met de Immigration Act van 1924 werd ook elke verdere immigratie van Japanners tegengegaan. Dat de kinderen van deze categorie van nauwelijks gewenste vreemdelingen met elke generatie sterker veramerikaniseerden, deed er in 1942 helemaal niet toe: Kolonel Bendatsen van het Western Defense Command verklaarde dat hij “vastbesloten (was) ze naar het kamp te sturen als ze ook maar één druppel Japans bloed hadden.” Congressman John Rankin viel hem dapper bij in het Parlement: “We moeten alle Jappen in Amerika, Alaska en Hawaii vangen en in concentratiekampen stoppen. Damn them! Let's get rid of them now!”

Shikataganai

De geïnterneerde Japanners waren voor het merendeel geneigd tot "shikataganai, de bereidheid er het beste van te maken', schreef Wakako Yamauchi vijftig jaar later. “Sommigen van ons hadden al voorgesteld om zich vrijwillig te laten evacueren, om te laten zien dat ze goede, loyale burgers waren. Onze zelfhaat en ons schuldgevoel waren enorm.” De beeldend kunstenaars die rond de San Francisco Bay woonden en die, met vaak beperkte middelen, ateliers en schilderklassen draaiende wisten te houden, gingen in de kampen door met hun werk. Wie de tekeningen en schilderijen in de Wight Gallery ziet die door hen en door amateurs achter het prikkeldraad werden gemaakt, wordt getroffen door de stemming van berusting die wordt gesuggereerd. De meeste tekeningen hebben het uitgesproken ordelijk ogende dagelijkse leven in de barakken tot onderwerp: een moeder wast haar kind, bewakers kijken enthousiast toe hoe de geïnterneerden honkballen, vrouwen raken van de kook als er balen stof in het kamp arriveren. Er zijn portretten en stillevens, merendeels westers van stijl. Alleen de waterverf-landschappen herinneren hier en daar aan de klassieke Japanse kunst, niet alleen stilistisch maar ook waar in de wolken boven de barakken en de omringende bergen een tweede, illusoir landschap wordt gesuggereerd, met de berg Fuji en een vlucht eenden. Kaartende mannen, spelende kinderen, een houtsnede met waslijnen tussen de barakken. Woede en angst lijken afwezig, en de coyotes aan de andere kant van het prikkeldraad zien er bedreigender uit dan de bewakers in hun wachttorens.

Ter gelegenheid van de opening van deze tentoonstelling werd de catalogus heruitgegeven van een foto-tentoonstelling die in 1972 werd georganiseerd in het M.H. De Young Memorial Museum onder de titel "Executive Order 9066'. Want deze episode uit de Amerikaanse geschiedenis mag dan relatief onbekend zijn gebleven, ze inspireerde de grote Amerikaanse "sociale' fotografen uit die tijd als Dorothea Lange, Ansel Adams en Russell Lee, evenals tal van minder bekende vakgenoten, wel tot memorabel werk. Werk dat voorspelbare gevoelens oproept: kinderen in genummerde spoorwegwagons, kinderen met kartonnen identificatie-labels om hun nek, angstig starend naar soldatenlaarzen. Onmiskenbaar Japanse vrouwen, in onmiskenbaar Amerikaanse kleren poserend met vaantjes waarop sterren en strepen en "Serving Our Country' staat geborduurd. Een Japanse jongen in Amerikaans militair uniform naast zijn moeder, werkend op het land. De wanhopige tekst I Am an American op de winkelruit van een Japanse middenstander die zijn zaak moet achterlaten...

Sentimenteel

Het is allemaal schrijnend om te zien, maar toch resteert er een probleem, na het bekijken van zowel "The View From Within' (zoals de huidige tentoonstelling is getiteld) als de catalogus van twintig jaar geleden. Beide exposities leggen de nadruk op de sentimentele kant van deze episode, en met goed recht waarschijnlijk, want er is in humanitair opzicht geen enkele rechtvaardiging aan te voeren voor de on-constitutionele maatregel waartoe de Amerikaanse overheid overging. In documentaire zin doen beide exposities vooral hun best de getroffen Japanners te portretteren als loyale Amerikanen die niets liever wilden dan hun nieuwe vaderland dienen en desalniettemin slachtoffer werden van hysterisch racisme.

Dat er nuances aan te brengen zijn in deze optiek kan de toeschouwer alleen maar vermoeden bij een schilderij van Henry Sugimoto, waarop te zien is hoe een Japans-Amerikaanse priester in Camp Jerome door twee andere ingezetenen wordt gemolesteerd. Een schilderij dat zijn oorsprong vond in een historische gebeurtenis: de controverse tussen de "loyalen' en "niet-loyalen' die in februari 1943 van overheersend belang werd in de kampen en die bestaande tegenstellingen tussen de Issei (eerste generatie, in Japan geborenen) en Nisei (tweede generatie, in Amerika geborenen) hielp versterken.

In die maand werden in alle tien kampen aan de mannelijke ingezetenen de zogenaamde loyaliteitsvragen voorgelegd: "Bent u bereid in Amerikaanse gewapende dienst te treden?' en "Zweert u onvoorwaardelijke trouw aan de USA (-) en zweert u daarmee elke vorm van trouw aan de Japanse keizer of andere vreemde regeringen af?' Bij de onderhandelingen over de toekomst van de Japans-Amerikanen speelde de JACL, de Japanese American Citizen's League een belangrijke rol. In de JACL namen geassimileerde Nisei de vooraanstaande posities in. Bij hun optreden dringt zich een vergelijking met de Joodse Raad op.

De loyaliteitsvragen leidden tot grote onrust in de kampen; veel Issei durfden de tweede vraag niet positief te beantwoorden omdat dat hen een mogelijke toekomst zonder enig vaderland kon opleveren - het was ze immers wettelijk nog steeds niet mogelijk Amerikanen te worden. Hun kinderen, die wel Amerikanen konden worden, als ze het niet al waren, kenden deze angst niet. Maar onder deze Nisei waren er weer veel wier weerzin tegen de Amerikaanse overheid en de meegaande houding van de JACL zo groot was dat ze op beide vragen "nee' antwoordden: de zogenaamde No No Boys.

Loyalen en deloyalen werden vervolgens van elkaar gescheiden; van de eerste categorie vormde een deel later een all-Nisei eenheid in het Amerikaanse leger, die zich onderscheidde bij de bevrijding van Italië. In Tule Lake, waar de No No Boys werden geïnterneerd, braken rellen uit die door de militaire politie met harde hand werden neergeslagen. Vijf procent van de geïnterneerden trok de consequentie uit hun ongewenstheid in de VS en vertrok daadwerkelijk naar Japan, dat ze in vele gevallen nog nooit hadden gezien. Veel deloyalen werden door de Amerikaanse overheid als dienstweigeraars beschouwd en moesten na hun internering nog eens enkele jaren in gevangenschap doorbrengen.

Doodgezwegen

Van niets van dit al zou men ook maar het flauwste benul krijgen als men de beide tentoonstellingen bekijkt. De hele geschiedenis staat wel uitputtend beschreven in het in 1976 verschenen boek Years of Infamy van Michi Weglyn, dat het tot dan onverteld gebleven verhaal van Amerika's concentratiekampen vertelt. Voor de beste weergave van alle nuances van deze episode in artistieke zin moet men te rade gaan bij een roman die de laatste tijd in Californië een kleine opleving in belangstelling geniet: No No Boy van de in 1971 overleden John Okada. Het boek werd bij verschijning in 1957 goeddeels doodgezwegen omdat Japans-Amerikanen en andere Amerikanen te veel pijnlijke herinneringen aan de episode hadden.

Okada, die zelf dienst deed bij de Amerikaanse luchtmacht in de Tweede Wereldoorlog, beschrijft in het openingshoofdstuk van zijn roman de thuiskomst van No No Boy Ichiro, na twee jaar kamp en twee jaar gevangenis, in zijn ouderlijk huis in Seattle. Het anti-Japanse sentiment is in de stad nog even virulent, en zijn vroegere Japans-Amerikaanse vrienden schuwen hem omdat zijn aanwezigheid hun geloofwaardigheid als "honderd procent Amerikanen' in gevaar brengt. Zijn vader is nog de nederige, dienstbare, louter Japans-sprekende Issei van vroeger, zijn moeder is haar verstand kwijt en weigert te geloven dat Japan de oorlog heeft verloren.

Ichiro weigerde dienst te nemen als zijn familieleden niet zouden worden vrijgelaten. Hij vertelt over de rechtszaak en over de vragen die hij en de andere No No Boys stelden: “U, mijnheer de rechter, die wordt verondersteld het recht te vertegenwoordigen, was het wel rechtvaardig om honderdduizend maal levens en huizen en boerderijen en winkels en dromen en hoop te vernietigen omdat die honderdduizend honderdduizend Japanners waren en u geen loyale Japanners kon verdragen als Japan nu juist het land was waartegen u ten strijde trok, en, als dat zo is, hoe staat het dan met de Duitsers en de Italianen die net zo twijfelachtig zijn als de Japanners, want anders zouden we toch niet tegen Duitsland en Italië vechten? Drijf ze bijeen. Neem ze hun huizen af en hun auto's en hun bier en spaghetti en gooi ze in een kamp en wat denkt u dat ze dan zullen zeggen als u ze probeert in te lijven in het leger van het land dat vóór het leven, de vrijheid en het nastreven van geluk is? Als u denkt dat wij hetzelfde soort rot-Japanners zijn dat de bom op Pearl Harbor gooide, en het is duidelijk dat u dat denkt anders zou ik hier niet hoeven zitten uit te leggen waarom ik geen zin heb om te vechten voor klootzakken als u, dan zeg ik, u heeft het bij het rechte eind en driemaal banzai voor u en ik zit de oorlog wel uit in een lekkere cel, dank u zeer.”

Wat de beide tentoonstellingen missen is een schilderende of fotograferende John Okada; is werk dat, zonder de kijker per se te dwingen tot stellingname, verder gaat dan alleen maar het oproepen van compassie, sympathie en respect voor het lot van de slachtoffers. Maar de tijden zijn wel heel erg veranderd, en misschien is in het Amerika van heden, waar Aziaten worden gekoesterd als de model-minderheid (en in Californië hard op weg zijn een meerderheid te worden) het tentoonstellen daarvan weer een te pijnlijke zaak geworden.

    • Jan Donkers