Vijfentachtig rode vanen in dienst van de sociale strijd

Tentoonstelling Werknemers aller landen.... T/m 17 jan. Nationaal Verzetsmuseum, Henri Polaklaan 9, Amsterdam. Di t/m vr 11-17u, zo 13-17u. Inl 020- 6241166.

Vroeger, rond de eeuwwisseling, was het makkelijk. Een opruiende tekst - over de schanddaden van het kapitalisme of de "onderkruipers' die de arbeideristische eenheid doorbraken - en de datum en plaats van de massameeting waren voldoende. De drukker haalde dan zijn vetste kapitalen uit de letterbak en maakte er een vlammend aanplakbiljet van. Klaar.

Anderhalf decennium later kwamen de geëngageerde kunstenaars met hun simpele, maar hoogst doeltreffende symbolentaal. Albert Hahn junior verbeeldde de vakbonden als dammen in een rivier, waarop de woeste golven van "ellende' en "honger' stuksloegen. Steinlen verklaarde in vetkrijt Oorlog aan den oorlog door het Internationaal Verbond van Vakvereenigingen de gedaante te geven van een vastberaden man die zijn beschermende arm legt om vrouw en kinderen. Käthe Kollwitz toonde van hetzelfde thema de keerzijde: een hologig groepje oorlogsslachtoffers met gezichten als dodenmaskers. In hun voetsporen volgden honderden anderen. De anonieme Spanjaard bijvoorbeeld, die de vakbonden in 1937 voorstelde als een rijdende trein met rode ster waaronder de ijzeren wapenen van het fascisme werden verpletterd. Zo eenduidig konden de kunstenaars in dienst van de sociale strijd toen nog te werk gaan.

Maar hoe moet dat nu? Er hangen vijfentachtig rode vanen in het Nationaal Vakbondsmuseum in Amsterdam - en daarop vijfentachtig affiches die bij elkaar een beeld moeten geven van de internationale vakbeweging. Niet meer dan een stuk of tien zijn er van vroeger, de rest is min of meer recent. En het is in grafisch-esthetisch opzicht een zielig zooitje.

Het affiche is bij uitstek een strijdbaar medium. Ruimte voor nuancering is er niet, het beeld kan slechts één onmiddellijk herkenbare betekenis hebben. De vraag is alleen welk beeld de vakbeweging dezer dagen nog wil uitdragen.

Misschien dat van het vlotte jonge gezin dat in de jaren tachtig poseerde voor de christelijke vakbonden van Luxemburg: man en vrouw in zomerkleren op een grazige weide, elk met een kind op de arm, blijkbaar gefotografeerd tijdens het zondagse uitje met de auto. "Zondagsarbeid, nee bedankt!' staat erboven - want zondagsarbeid kan kennelijk niet meer in termen van kapitalistische uitbuiting worden gevangen. Of misschien, ook uit Luxemburg, het cartoonesk getekende Vrijheidsbeeld dat in een hela-hola-stemming oproept tot deelname van vrouwen aan vakbondswerk?

Nee, in de Westeuropese wereld van het harmoniemodel is de eenduidige symboliek, te oordelen naar deze collectie, niet meer te vinden. Hier en daar zijn de vakbonden in dit werelddeel zelfs slachtoffer geworden van het logo-virus, waardoor hun oude initialen zijn verschrompeld tot gestroomlijnde design-vormpjes die de oude vijanden - de internationale vakbonden en de multinationale ondernemingen - op één grafische hoop hebben gegooid. Logo's vechten niet meer met elkaar, logo's versmelten.

Dan maar naar elders gekeken. Japan laat zich, als altijd, lastig beoordelen. Er is een volstrekt verstilde, zwanehals-achtige vorm die volgens het bijschrift oproept tot kortere werktijden, en er zijn twee prenten met een samoerai-achtige figuur namens de bond van PTT-employés. Daar is in westerse ogen geen touw aan vast te knopen. Hongkong levert slechts afstotelijk lelijk drukwerk. Alleen uit Noord-Korea komen herkenbare beelden, maar die zijn geheel blijven steken in de traditie van het sociaal-realisme: trotse arbeiders met helmen, hoofddoekjes en appelwangetjes die de handen uit de mouwen steken en frisch und fröhlich in de toekomst blikken.

Afrika of Zuid-Amerika of Oost-Europa dan? De oogst is teleurstellend; ze bestaat hoofdzakelijk uit onbeholpen tekenwerk, crisisdruk en ander dilettantisme. Visueel interessant is hooguit een uit 1982 daterend affiche van Jan Swaka voor de Poolse vakbond Solidariteit: hoog in de lucht een zon met het woord Solidarnösc, boven een vlak landschap dat langzaam rood kleurt. Het verenigt alle eigenschappen van de Oosteuropese grafiek in zich - indrukwekkend en in één oogopslag overtuigend, maar tamelijk grimmig van sfeer en in geen enkel opzicht wervend. Swaka tekende een loodzwaar natuurverschijnsel in plaats van een zonnetje waaraan de toeschouwer zich kan warmen.

Ook van hem kan de internationale vakbeweging dus geen nieuwe beeldentaal verwachten. Terwijl daaraan, zo blijkt op de tentoonstelling "Werknemers aller landen...', een schreeuwende behoefte bestaat. Want wat is nog de rol van een vakbond als er grafisch al niet eens meer een vuist kan worden gemaakt?

    • Henk van Gelder