Verplicht vrijwillig

Het was te verwachten dat het plan van Brinkman om een sociale dienstplicht in te voeren voor achttienjarigen weerstand en spottend gegniffel zou wekken. Het is dwangarbeid die ten koste van de werkgelegenheid gaat, werd er tegenin gebracht. Het is zielig voor al die oudjes om geholpen te moeten worden door onwillige jongeren, die bovendien na een paar maanden alweer vertrokken zijn, waarna de volgende bokkige dienstplichtige zijn opwachting maakt. Het meest onverwachte argument contra kwam van mevrouw Den Ouden van de Emancipatieraad, die wees op de gevaren van het inschakelen van jongens: “Als jongens tegen hun zin zorgtaken moeten vervullen, willen ze misschien hun leven lang geen huishoudelijk werk meer doen.”

Nee, het spreekt vanzelf dat je die jongens geen afwaskwast of dweil moet opdringen, want dan zitten hun echtgenotes later maar met de gebakken peren. Als je rustig afwacht, raken ze vanzelf geïnteresseerd in zorgtaken; emancipatie moet van binnenuit komen en niet van buiten opgelegd. Solidariteit is net zoiets als de liefde - dat laat zich niet afdwingen.

Maar Brinkmans plan zit inderdaad niet zo goed in elkaar. Afgezien van het feit dat een sociale dienstplicht zal interfereren met werkgelegenheid en loonkosten in de sociale sector, is het grootste probleem ervan dat je zomaar een jaar (of negen maanden, wat op hetzelfde neerkomt) van iemands leven afpakt. En dat nog wel van achttienjarigen, die net op het punt zijn aangeland dat ze ingrijpende beslissingen zelf kunnen nemen. Ze gaan een zelfgekozen opleiding volgen, ze gaan misschien op kamers wonen, ze beginnen aan een periode van grotere vrijheid en grotere verantwoordelijkheid. Dat ze geen zin hebben om eerst een jaar verplicht aan dienstverlening te doen, kan ik goed begrijpen. Voor meisjes lijkt het al helemaal niet raadzaam, want die hebben haast. De Nederlandse vrouw blijkt op te hoge leeftijd kinderen te krijgen. De overheid en de deskundigen vinden dat de zwangerschappen beter getimed moeten worden (lees: het moet vroeger). Dan kan er dus maar beter niet teveel tijd verspild worden met het voorlezen aan blinden, zou je zeggen. Een opleiding afmaken en een man vinden, dat zijn de prioriteiten voor meisjes.

Dat het plan niet haalbaar is en krakkemikkig in elkaar zit, wil overigens niet zeggen dat de sociale dienstplicht als idee niet deugt. Integendeel, het lijkt me heel zinvol als jongeren verplicht zouden zijn zich in te zetten voor sociale doelen. Je moet als overheid alleen niet met één maatregel zowel de jeugd willen opvoeden, als de nood onder hulpbehoevenden willen lenigen. Wie op de kermis een suikerspin koopt, spekt daarmee nog niet de portemonnee van de spookhuisexploitant.

Wanneer we ons bepalen tot het bijbrengen van enige sociale betrokkenheid en verzorgingsvaardigheden aan jongeren (en daar is het Brinkman volgens mij om te doen), dan is er een veel interessantere doelgroep aan te wijzen: de categorie vijftien- tot achttienjarigen. Deze groep zit voor het grootste deel op school en brengt de vrije tijd door met amusement en zelfontplooiing. In een artikel van Corinne Oudijk (in de bundel "Sociale en culturele kennis' uitgegeven door het SCP) las ik dat mannen in 1985 gemiddeld negen en een half uur per week aan huishoudelijke taken besteedden. Dat was drie uur meer dan in 1975 (chapeau voor de mannen). In diezelfde tien jaar was het aandeel van vrouwen gegroeid van 32 naar 34 uur per week! Een merkwaardige ontwikkeling. Zou het huishouden arbeidsintensiever geworden zijn? Onwaarschijnlijk. De meest voor de hand liggende verklaring (Oudijk stipt het terloops aan) is dat de kinderen geen fluit meer uitvoeren.

Deze groep tieners komt bij uitstek in aanmerking voor het vervullen van een sociale dienstplicht, zeker nu hun ouders er niet meer achteraan zitten dat ze thuis karweitjes opknappen. In Amerika bestaat op sommige high schools de verplichting tot "community services' voor de leerlingen van de hoogste klassen. Iedereen moet een uur of twee, drie per week sociale dienstverlening doen, twee jaar lang. De contacten worden via school en gemeente geregeld. De leerlingen kunnen kiezen uit een aantal mogelijkheden of zelf met iets aankomen. Wie niet mee doet krijgt met sancties te maken.

Jongeren van tussen de 15 en de 18 leven in een zelfgenoegzaam reservaat van gelijkgestemden. Ouders en leraren figureren hierin weliswaar als autoriteiten, maar niet van het bijzonder machtige soort. Met bejaarden komt deze groep al helemaal niet in aanraking - hun grootouders zijn vaak al overleden, omdat hun ouders geheel volgens de trend pas op latere leeftijd tot voortplanting zijn overgegaan. Wat kan erop tegen zijn om die tieners een paar uur per week uit hun in zichzelf besloten wereldje los te weken, zodat ze eens met iets anders in aanraking komen.

Er is op de scholen ook gelegenheid voor, want binnenkort wordt het vak "verzorging' in de basisvorming ingevoerd. Dit is zo'n vak dat geen leerling serieus zal nemen en waarvan je nu al kunt voorspellen dat het een pan wordt tijdens de lesuren. Het kan onmiddellijk afgeschaft worden en vervangen door drie uur sociale dienstverlening per week gedurende twee jaar voor de hogere klassen, te vervullen in de vrije tijd. In plaats van theoretiseren over verzorging kunnen de docenten zich bezighouden met coördinatie en begeleiding.

Doordat het accent niet zozeer op werken ligt, als wel op meelopen, wordt er niemand in de sociale sector het brood uit de mond gestoten, maar kan er wel sprake zijn van een beetje taakverlichting. Een alfahulp die bij alleenstaande bejaarden moet schoonmaken en de boodschappen doen, kan het iets rustiger aan doen, als ze een hulpje heeft dat ook wat werk verzet. Bovendien kunnen avances van oude kereltjes (iets waar alfahulpen regelmatig last van hebben, naar het schijnt) beter gepareerd worden, als er een derde in de buurt is.

Er zijn mogelijkheden genoeg, zonder meteen van een tiener te eisen dat hij demente bejaarden op de wc zet of geestelijke gehandicapten in bad doet. Ze kunnen iets in crèches doen, boodschappen doen voor zieken en bejaarden, meelopen in het buddy-systeem voor aids-patiënten, schoonmaken of klusjes uitvoeren in tehuizen, meewerken aan de buitenschoolse kinderopvang of in de gaarkeukens voor daklozen.

Ze verdienen er geen geld mee en verliezen ook geen jaar van hun leven (slechts acht volledige werkweken). Maar de horizon raakt blijvend verruimd.

    • Beatrijs Ritsema