Universiteit wil verandering in rangenstelsel

AMSTERDAM, 29 OKT. Het wetenschappelijk rangenstelsel moet op de helling. De aanduidingen universitair docent en universitair hoofddocent moeten verdwijnen.

Het wetenschappelijk personeel zal in de toekomst bestaan uit assistenten in opleiding, docenten, assistent-professor en professor. De laatste twee hebben het recht om wetenschappers te laten promoveren, (hoofd)docenten hebben dat recht niet.

Dat zegt het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam in de discussienota Personeelsmanagement. Het college wil op niet al te lange termijn de discussie over de wijziging van het rangenstelsel aan de orde stellen binnen het samenwerkingsverband van de Nederlandse universiteiten, VSNU.

Volgens het Amsterdamse College van Bestuur heeft het te lang ontbroken aan een personeelsbeleid dat is toegesneden op de wetenschappers binnen de universiteit. Eenmaal binnen de muren van de Alma Mater blijken de doorstroommogelijkheden voor de individuele wetenschapper klein en is de aandacht voor zijn wel en wee gering, aldus de rector-magnificus van de Universiteti van Amsterdam, prof. P.W.M. de Meijer, die ondermeer is belast met personeelszaken.

Aan de Universiteit van Amsterdam zijn 3543 wetenschappers verbonden, onder wie 343 hoogleraren. In het voorstel van het College van Bestuur zouden er twee assistent-professoren op één professor moeten komen. De verhouding is nu één hoofddocent op één hoogleraar.

Naar de functie van assistent-professor moet worden gesolliciteerd, huidige hoofddocenten zullen niet automatisch deze rang verwerven, aldus De Meijer. Wat hun nieuwe benaming wordt wanneer zij geen assistent-professor worden, is nog onduidelijk. Over de precieze uitwerking van het voorstel heeft overleg plaats met de faculteitsbesturen en faculteitsdirecteuren. Ook zal overleg worden gevoerd met de vakbonden. Het College van Decanen van de Universiteit van Amsterdam heeft inmiddels positief gereageerd op de nota.

In de discussienota wordt ook een aantal maatregelen voorgesteld om inzicht te krijgen in het arbeidsgenot danwel het ontbreken daarvan bij individuele medewerkers. De belangrijkste is het invoeren van functioneringsgesprekken binnen alle faculteiten. “Die dienen een normaal onderdeel van de omgangsvormensvormen te zijn, gericht op het (nog) beter functioneren van de medewerkers”, aldus de nota. Blijkt tijdens zo'n functioneringsgesprek dat een medewerker zich al jaren zit te verbijten binnen de muren van zijn kamer, dan kan met behulp van een outplacement-bureau worden onderzocht of hij wellicht beter af is met een baan buiten de universiteit.

Professor De Meijer: “Het gebrek aan doorstroommogelijkheden kan dodelijk zijn voor iemands functioneren, maar ook het gebrek aan aandacht en het gevoel dat het toch niemand iets kan schelen wat je doet. Daarom vinden wij het belangrijk dat die functioneringsgesprekken op gang komen. In sommige faculteiten gebeurt dat al, andere steigeren nog een beetje, maar het zal er echt van moeten komen. Vakgroepvoorzitters moeten dit als hun verantwoordelijkheid gaan zien.”

    • Anneke Visser