Tim Robbins debuteert met persiflage op Amerikaanse verkiezingscampagnes; Een zanger voor God gezin en bewapening

Bob Roberts. Regie: Tim Robbins. Met: Tim Robbins, Alan Rickman, Ray Wise, Giancarlo Esposito, Gore Vidal. In: Amsterdam, Alfa 1; Rotterdam, Calypso 2; Den Haag, Metropole 3; Eindhoven, Plaza Futura.

Tijdens het recente jubileumconcert in New York als hommage aan Bob Dylan deed zich een merkwaardig moment voor. Een van de laatste rebellen uit de huidige popcultuur, de doodernstige en fragiele Sinead O'Connor, werd door een deel van het publiek uitgefloten, omdat ze een paar weken eerder voor een televisiecamera een foto van de paus verscheurd had. Hoe is het mogelijk dat iemand eerst bijzonder veel moeite doet om een kaartje te bemachtigen voor een pelgrimage naar de meest opstandige muzikale held van de jaren zestig, de profeet van The Times They Are A-Changin', om vervolgens de enige ster die die traditie voortzet van het podium te jagen?

Een antwoord op die vraag geeft Tim Robbins, regisseur, schrijver en hoofdrolspeler van de film Bob Roberts, een als Britse televisiedocumentaire vermomde Amerikaanse speelfilm over een naar Dylan gemodelleerde folksinger die in de politiek gaat. In de vorm van zo'n degelijk, alle deuren openend BBC-programma, gepresenteerd door een oudere televisieverslaggever in regenjas, persifleert Robbins de leegte van de huidige Amerikaanse (en Europese) cultuur, op zoek naar nieuwe helden. Bob Roberts is een fictief personage, maar hij zou heel goed kunnen bestaan. Wat hem onderscheidt van politieke piassen als Ross Perot, David Duke, Dan Quayle, Jean-Pierre van Rossem of Jörg Haider is niet de dubieuze strekking van zijn opvattingen, maar de handige verpakking. Ook Roberts speelt in op de weerzin van de kiezer tegen politici, die altijd meer beloven dan ze waar kunnen maken. Maar hij maakt gebruik van de gemeengoed geworden, informele stijl van de jaren zestig om de ideologie van dezelfde periode onderuit te halen.

Uit de briljant vormgegeven quasi-documentaire, in nep-cinéma vérité-stijl gedraaid door Robert Altmans vaste cameraman Jean Lepine, leren we dat Roberts opgroeide in een commune. Hij leerde ook al jong gitaar spelen en zingt nu tijdens zijn verkiezingsbijeenkomsten zonder versterking liedjes tegen drugs, tegen de slapjanussen die hun hand ophouden bij de sociale dienst van onze centen; hij roept op tot een nieuwe Amerikaanse trots en predikt voor God, het gezin en de bewapening. De door David Robbins geschreven teksten zijn zo verleidelijk dat zijn broer Tim voor alle zekerheid besloot maar geen soundtrack van de film uit te brengen; voor je het weet zou die immers de top van de hitparade kunnen bereiken.

In de trant van Altmans Nashville of The Player schetst Robbins niet alleen een satirisch beeld van een verkiezingscampagne, van het stafoverleg in een met fax en modem uitgerukte bus, het gekoketteer met kinderen, talkshowpresentatoren en echtgenotes van burgemeesters, maar vooral van het gemak waarmee een valse boodschap aan de man gebracht kan worden. Na enige tijd wordt duidelijk dat Roberts, kandidaat voor de senaat van Pennsylvania in het jaar dat de Golfoorlog voorbereid werd, de stroman is van haviken in de CIA, gepersonifieerd door een adviseur (Alan Rickman) met boter op het hoofd uit de Contra-affaire en vele andere illegale akkefietjes. Maar in de populariteit en het door een geprefabriceerde aanslag op zijn leven ontstane martelaarschap van Roberts, zijn eigenschappen verenigd van Roosevelt, Kennedy, Carter, Nixon, Reagan en, zoals Robbins zelf toelichtte, zelfs van Bush "met een gitaar".

Het debuut van Robbins als regisseur (hij speelde ook de hoofdrol in The Player en in een aantal andere films, waarin hij ons om de een of andere reden nooit opgevallen was) heeft zo veel lef en brille dat hier en daar al eens de vergelijking gemaakt is met Citizen Kane. Orson Welles was 26 toen hij in 1941 zijn eerste film maakte, en, net als Robbins, oprichter van The Actors Gang, het charismatische middelpunt van een baanbrekend toneelgezelschap. Een van de thema's van Citizen Kane, waarin Welles een krantentycoon speelde, was de kwetsbaarheid van de Amerikaanse samenleving voor demagogie, oppervlakkige charme en leeghoofdigheid. Daar houdt de vergelijking ook mee op. Charles Foster Kane was een legende, Welles' film een zorgvuldig gecreëerd episch verhaal vol mysteries, illusies en diepere lagen. Bob Roberts is een film die zo transparant is als zijn hoofdfiguur; in het uitlichten van de voosheid van een dergelijke politicus schuwt Robbins de retoriek zelf evenmin.

In vele opzichten vormt Bob Roberts een tweeluik met Altmans The Player, waarin Hollywood op ironische wijze de spiegel voorgehouden wordt van ijdelheid, wreedheid en gebrek aan zeggingskracht. Beide films zijn ondanks de bittere ondertoon verrukkelijke staaltjes van entertainment, vol kleine en grote grapjes in alle hoeken van het beeld. De gastrollen van beroemde acteurs beperken zich in Bob Roberts vooral tot het televisiescherm, waar allerlei bekende sterren de kans krijgen eens de gepantserde glimlach van een "anchorman" te beproeven. Interessant is ook de aanwezigheid van Gore Vidal, schrijver en politicus, in de rol van Roberts' tegenstander, een vermoeide, maar integere senator, wiens weinig mediagenieke uiterlijk het af moet leggen tegen de handigheid van een "crypto-fascistische clown". In een door zijn ernst uit de toon vallende scène zegt Vidal, meer zichzelf dan zijn personage, zelfs in een debat met Roberts "een vleugje zwavel" te hebben geroken.

In bijna elk Amerikaans verkiezingsjaar komt wel een film uit die de futiliteit van de campagnes en de corruptie van de macht aanklaagt, of een appèl doet op met uitsterving bedreigde democratische waarden. Er zou een aardig retrospectief van te maken zijn, waarin duidelijk wordt hoe bijvoorbeeld State of the Union in 1948 de verkiezing van Truman inluidde, of hoe The Best Man (geschreven door Vidal) in 1964 de erfenis van Kennedy uit Nixons handen trachtte te houden. Als Bob Roberts een graadmeter is voor de uitslag van de verkiezing, dan wordt het Clinton: hij speelt saxofoon en is een grote onbekende, maar belooft economisch herstel. De jaren zestig achtervolgen Clinton, zonder dat jeugdzonden uit die tijd hem uit het Witte Huis kunnen weghouden. Want het Amerika waarin een lucide film als Bob Roberts kon ontstaan, heeft genoeg van de moddersmijtcampagnes en het eeuwige gescheld op weke "liberals". Het is zo goed als zeker dat een extremistische snoeshaan als Bob Roberts nu geen president zou kunnen worden.

    • Hans Beerekamp