Sociaal voelend katholiek in de traditie van Romme

Woensdag 4 november is drs. R.F.M. Lubbers tien jaar premier van Nederland. Het jubileum wil hij in alle stilte voorbij laten gaan. Tweede deel van een vierluik - Lubbers, de econoom: een verlichte werkgever aan het hoofd van de BV Nederland.

Het ziet er in het najaar van 1989 zo mooi uit. De winsten stijgen, het overheidstekort daalt en de werkloosheid gaat fors omlaag. Minister-president Rudolphus Franciscus Marie Lubbers kiest, na twee kabinetten met de VVD, voor de PvdA. Wegens de ruzie om het reiskostenforfait, wegens de stroeve persoonlijke verhoudingen binnen het vorige kabinet.

Maar vooral omdat Lubbers vanouds een “voorzichtige” voorkeur heeft voor regeren met de PvdA. Binnen het CDA behoort hij zeker niet tot de conservatieve vleugel. Al voor de verkiezingen schrijft hij dat de koppeling tussen de uitkeringen aan de lonen, “mits de algemene loonontwikkeling beheerst blijft, weer verantwoord is.” Het licht voor Wim Kok staat op groen, en amper twee maanden na de verkiezingen, op 7 november 1989, maakt het kabinet Lubbers/Kok zijn opwachting.

Maar de euforie duurt niet lang. Het gat van Ruding, veroorzaakt door de belastingverlaging-Oort, zorgt voor problemen, evenals de stijgende rente. In februari 1991 komt het kabinet met een Tussenbalans, met forse bezuinigingen en lastenverzwaringen. In oktober 1992 zorgt de internationale conjunctuur voor een nieuwe crisis, en moet opnieuw in de uitgaven worden gesneden.

Ruud Lubbers loopt daarbij niet voorop. Hij lijkt het grote bezuinigen moe. Hij had nu graag meer aandacht willen besteden aan grote operaties, zoals de decentralisatie of het plan-Simons voor de gezondheidszorg, een plan dat hij in de Tweede Kamer bij de algemene beschouwingen in oktober 1991 nog met verve verdedigde. Bejaarden die buiten het ziekenfonds vallen en absurd hoge particuliere premies moeten betalen, daar moeten we wat aan doen, betoogde Lubbers. Inmiddels stijgen de kosten en klinken protesten, maar zijn opvattingen zijn niet wezenlijk veranderd. Opvattingen van een sociaal voelend katholiek in de beste traditie van Romme.

Lubbers, de ondernemerszoon uit Rotterdam, die als elfjarig jongetje naar Nijmegen verhuisde waar hij door de jezuieten van het internaat van het Canisius College werd geschoold. De Rotterdamse economie-student met een brede maatschappelijke interesse die na het overlijden van zijn vader, amper 24 jaar oud, samen met zijn 27-jarige broer de leiding in handen neemt van het metaalconstructiebedrijf Hollandia.

De verlichte werkgever, die als KVP-er met de christenradicalen flirt omdat het einde van het centrum-linkse kabinet-Cals in november 1966 weliswaar “juist moge geweest zijn op grond van een onvoldoende solide financieel beleid”, maar die het daarom niet minder “jammer” vindt dat de nacht van Schmelzer “psychologisch gewerkt heeft als het echec van een poging tot vooruitstrevende politiek”.

Hij blijft echter lid van de KVP, wordt in juni 1970 lid voor de Rijnmondraaden in augustus lid van de programma-adviesraad van de KRO. Binnen de metaalindustrie fungeert hij als een actief en gewaardeerd cao-onderhandelaar. Ook schrijf hij columns in Economisch Statistische Berichten, toen nog Neêrlands enige economenblad.

Dan komt plotseling de overstap naar de grote politiek. Jaap Burger, formateur van het kabinet-Den Uyl, zit verlegen om “een beetje progressieve KVP-er”. Op 11 mei 1973 wordt drs. R.F.M. Lubbers, net 34 jaar, minister van Economische Zaken.

Het zijn tropenjaren, maar hij geniet ervan. Lubbers opereert pragmatisch. Wim Duisenberg, indertijd minister van financiën, herinnert zich later dat Lubbers “bepaald geen remmende factor” vormt op de vier "hervormingsvoorstellen': de grondpolitiek, de wet op de ondernemingsraden, de investeringspremies en last but not least de vermogensaanwasdeling. Zelfs in januari 1976 noemt Lubbers de VAD nog “een noodzakelijke en onvermijdelijke verbetering”.

Minder goede herinneringen bewaart hij aan de invoering van het minimumjeugdloon, en de koppeling van de uitkeringen aan het minimumloon. Maatregelen die later desastreus blijken voor de werkgelegenheid. Hij verzet zich, loopt kwaad uit de ministerraad weg, maar keert weer snel uit de kou van de tuin van het Catshuis terug.

In de publiciteit werpt Lubbers zich vanaf 1975 op de criticus bij uitstek van de stijging van de arbeidskosten. Na de eerste oliecrisis staan de bedrijfswinsten onder forse druk. Voor grote bezuinigingen deinst Lubbers echter terug. Dat blijkt ook, en vooral, tijdens het kabinet Van Agt/Wiegel (1977-1981), wanneer hij als CDA-fractieleider opereert.

Het is een rampzalige kabinetsperiode. De collectieve uitgaven stijgen, ondanks de goede voornemens van Bestek '81, nog sneller dan tijdens het kabinet-Den Uyl: negen versus acht procent van het nationale inkomen. Lubbers schiet, samen met minister Albeda van Sociale Zaken, regelmatig gaten in de begroting. Maar ook de VVD-ministers Wiegel (binnenlandse zaken) en Pais (onderwijs) weten van wanten.

De grote klap komt echter als de tweede olieprijsexplosie (1979/1980) opnieuw voor een internationale recessie zorgt. Het overheidstekort loopt in 1981 en 1982 volstrekt uit de hand, de werkloosheid stijgt in een angstwekkend tempo. Het kabinet Van Agt/Den Uyl blinkt uit door besluiteloosheid.

Na de verkiezingen van 8 september 1982 treedt Van Agt plotseling terug en wordt Lubbers, na vijf jaar wachten, leider van het CDA. In ambtelijke kring wordt de maatschappelijke haalbaarheid van forse maatregelen nog betwijfeld, maar Lubbers weet dat hij in de Kamer voldoende steun zal vinden. De wal keert het schip.

Het eerste kabinet-Lubbers, met Ruding op financiën, bezuinigt fors, vooral door het verlagen van ambtenarensalarissen en sociale uitkeringen. Lubbers, "het zondagskind in de politiek', krijgt de wind mee. Nog voor het regeerakkoord naar de drukker gaat worden werkgeversvoorzitter Chris van Veen en vakbondsleider Wim Kok - onder druk van een loonmaatregel - het eens over de noodzaak van loonmatiging. Winstherstel is plotseling geen vies woord meer. Nog belangrijker is het herstel van de wereldeconomie, die na de stagnatie in 1980-1982 in 1983 weer aantrekt. De export loopt fors op, en later ook de werkgelegenheid.

Toch voorspelt het Centraal Planbureau begin 1984 voor de naaste toekomst nog meer dan één miljoen werklozen. De modellen lijken "beleidsresistent': wat je er ook in stopt, het gaat altijd fout. Lubbers weigert daarin te geloven, en de wijze waarop hij de CPB-ramingen bestrijdt is typerend voor zijn, wat hij zelf noemt, “holistische denken”.

Hij doet een beroep op de Franse filosofen Henri Bergson en Pierre Teilhard de Chardin - waarmee hij al bij de jezuieten in Nijmegen kennis had gemaakt - en betoogt dat er meer op de wereld is dan meetbare gedragsrelaties. Het vertrouwen van de mensen kan worden geprovoceerd door deregulering, door betere scholing. En ook door het psychologische effect van een lager financieringstekort, dat laat zien dat er in Den Haag weer geregeerd wordt. Toch is diezelfde Lubbers hoogst actief als er, aan de hand van berekeningen van het Planbureau, koopkrachtplaatjes of andere sommetjes moeten worden opgelost. Zelf ziet hij die tegenstelling niet. Hij is als realist in een voortdurende dialoog met de werkelijkheid, dus met de cijfers. Maar, betoogt hij, je moet verder kijken dan de modellen. Leerde Einstein niet dat een oneindige lijn nooit recht is? “Als je niet verder kijkt dan de modellen, dan raak je al je idealisme kwijt.”

    • Kees Calje