Russische hoogovens tragisch demonstratieproject; Nederlandse ingenieurs studeren op hulp aan verouderde Russische industrie

LIPETSK, 29 OKT. Tsaar Peter de Grote had er rond 1700 al een staalfabriekje om kanonnen te maken voor zijn campagne tegen de Turken. Lipetsk heet de 500.000 zielen tellende stad in Rusland, 450 kilometer ten zuiden van Moskou aan de rivier de Vorona. Het stadsdeel Novolipetsk op de rechteroever herbergt sinds 1934 een metallurgische industrie "nieuwe stijl', die met vijf hoogovens tot de grootste van de voormalige Sovjet-Unie behoort: een oppervlak van circa honderd vierkante kilometer, waar 45.000 mensen hun doorgaans karig brood verdienen.

Het staalcomplex is het doel van de fact finding mission van een groepje Nederlanders, aangevoerd door dr. A.H. Verkooijen en dr. J.B. Lefers van het Arnhemse ingenieursbureau en elektrotechnisch keuringsinstituut KEMA. De KEMA hoopt opdracht te krijgen voor een studie naar de haalbaarheid van maatregelen ter bestrijding van energieverspilling en milieuvervuiling door industrieën in wat nu het Gemenebest van Onafhankelijke Staten heet.

De opdracht, ter waarde van twee miljoen gulden, zou moeten worden betaald uit Westerse fondsen. Voor hulp aan Midden- en Oost-Europa, in de periode van 1992 tot en met 1997, heeft het Nederlandse kabinet jaarlijks 300 miljoen gulden ter beschikking gesteld. Een derde daarvan is voor het GOS; zo'n 30 miljoen gulden per jaar wordt besteed onder verantwoordelijkheid van Economische Zaken, potentieel financier van het KEMA-onderzoek.

Westerse kennis moet de modernisering van de sterk verouderde Russische industrie, inclusief elektriciteitscentrales, op gang brengen. De KEMA heeft voorlopig twee objecten uitgekozen om de mogelijkheden voor verbetering te inventariseren: een gasgestookte centrale van 1300 Megawatt in Moskou, de Mosenergo Tez 21, en de staalwalserij annex ovens van de metallurgische industrie te Lipetsk. Beide ondernemingen lijden grote verliezen aan energie door gebrekkige apparatuur, terwijl de uitstoot van schadelijke stoffen er schrikbarende vormen heeft aangenomen.

Vandaag vertrok een ambtelijke delegatie onder leiding van drs. F.A. Engering, directeur-generaal voor buitenlandse economische betrekkingen van EZ, naar Moskou en Kiev. Naar aanleiding van dat bezoek zal een definitief besluit over de KEMA-projecten vallen.

Ondanks alle goed bedoelingen verloopt de missie van Verkooijen en Lefers niet zonder problemen - niet onbegrijpelijk overigens in een land waar opperste politieke en economische verwarring heersen. Functionarissen die elkaar tegenspreken, onduidelijkheden over de "follow-up' van geboden technologische bijstand en onvolledige informatie van Russische kant - het schijnt er allemaal bij te horen, Net als de Russische bureaucratie, die eerder een rem op de samenwerking zet dan haar bevordert.

Stellen de Russen onze hulp wel op prijs?, luidt de vraag aan de staatssecretaris voor energiebesparing, Vitaly Bushuyev. “Jazeker”, zegt hij, “maar dan wel in het kader van onderlinge samenwerking en op voet van gelijkheid. Want pure liefdadigheid is aan ons niet besteed.” Hij blijkt bilaterale contacten, zoals tussen Rusland en Nederland, zelfs te verkiezen boven samenwerking met de EG: “Daar gaat het allemaal zo traag, we zitten al twee jaar tevergeefs op concrete voorstellen uit Brussel te wachten.”

Verkooijen zet evenwel vraagtekens bij de Russische haast. “Ik ken diverse westerse firma's die apparatuur voor de energiesector willen leveren, maar ontmoedigd hebben afgehaakt omdat ze maar niet tot de Russische markt kunnen doordringen. 't Is inderdaad bijzonder moeilijk om hier een project op poten te zetten. De Russen houden zich slecht aan de afspraken.”

Een uitzondering maakt hij voor de medewerkers van twee Russische organisaties: de International Fuel Power Association en het Hoge Temperaturen Instituut van de Academie van Wetenschappen in Moskou. Beide instellingen participeren met de KEMA in een "Energocentrum' te Moskou, dat volgende week officieel wordt geopend. Het centrum fungeert als doorgeefluik van Westerse expertise naar de landen van het GOS en speelt een coördinerende rol in de uitvoering van het soort projecten waarvoor de KEMA bezig is de basis te leggen.

Het hoofdkantoor van de Novolipetsky Integrated Metallurgical Works dat Lefers en Verkooijen bezoeken is een groot massief bouwwerk, dat aan de buitenkant schreeuwt om een verfkwast. Beneden in de hal staat een borstbeeld van Joeri Andropov, begin jaren tachtig kortstondig president van de Sovjet-Unie, aan wie de fabriek destijds werd toegewijd. Net als aan Lenin en de Oktoberrevolutie trouwens.

Onder het personeel geldt Valentin Ovchinnikov, plaatsvervangend technisch directeur, met zijn ruim veertig dienstjaren als een industriële veteraan. Gekleed in een blauw jasje van overall-stof schetst hij een beeld van de onderneming dat niet tot vreugde stemt. Behalve dat de economische malaise de produktie heeft teruggebracht tot slechts 70 procent van de maximale capaciteit van 7 miljoen ton plaatstaal, verkeert het bedrijf ook technisch in deplorabele staat.

“Vroeger”, zegt Ovchinnikov, “werkten we voor de staat, voor het vijfjarenplan en hadden we altijd een gegarandeerde afzet. Nu moeten we concurreren om individuele klanten. In al die jaren van produktiedwang ontbrak het aan tijd voor technische vernieuwing. Willen we nu nog van een behoorlijke afzet verzekerd zijn, dan moeten we drastisch moderniseren en de kwaliteit van ons produkt opkrikken.”

De KEMA-vertegenwoordigers kunnen zijn betoog, wat de behoefte aan innovatie betreft, slechts onderschrijven. De 23 jaar oude warmwalserij vertoont enorme gebreken. Alexander Melnikov, die hier de leiding heeft, moet tot zijn schaamte bekennen dat ruim de helft van de beschikbare energie nutteloos weglekt als gevolg van technische storingen en isolatieproblemen. Dat is nog erger dan het Russische gemiddelde van dertig procent.

De vijf ovens die de plakken staal verhitten voor ze worden uitgewalst, branden op een mengsel van aardgas, kolengas en hoogovengas. Daarbij komen hoeveelheden schadelijke stikstofoxyden (NOx) vrij die boven alle officiële normen uitstijgen. Exacte informatie omtrent de uitstoot is moeilijk verkrijgbaar, maar controle erop bestaat kennelijk wel. Een onderzoeksinstituut uit Novosibirsk, dat hier onlangs zijn meetapparatuur installeerde, mat concentraties van 500 ppm (delen per miljoen) NOx in de rookgassen. Dat is ruimschoots boven de Russische norm van 200 ppm - om niet te spreken van de Nederlandse, die maximaal 100 ppm toelaat.

Een korte excursie door de regel- en controlekamer bevestigt het algehele beeld van veroudering. Computers ontbreken, de apparatuur wordt elektrisch bediend. Om te zien of er iets misgaat in de produktiehal, moet je door het raam kijken.

Buiten de warmwalserij domineert rook, veel rook, waartussen armetierige boompjes zich krampachtig staande houden. Een opmerkelijk detail is het waterrijke vogelpark tussen de produktie-installaties. Er zwemmen diverse eendesoorten en zwanen. Kraanvogels, fazanten en kalkoenen stappen welgemoed rond. Het blijkt een demonstratieproject: “Om te laten zien dat die vogels in zo'n omgeving onbekommerd kunnen leven”, legt de oppasser uit.

Verkooijen en Lefers geven de term een andere lading. Novolipetsk heeft, wat hun betreft, inderdaad een demonstratieproject en de sleutelwoorden zijn energiebesparing, rendementsverhoging en rookgasreiniging.

    • F.G. de Ruiter