Oostenrijk past zijn neutraliteitspolitiek aan

Oostenrijk viert dit jaar zijn nationale feestdag temidden van ingrijpende veranderingen in Europa en in de wereld. Laten we een ogenblik stilstaan bij de oorsprong van deze feestdag: zevenendertig jaar geleden, op 26 oktober 1955, werd Oostenrijk weer als volledig erkend lid in de internationale gemeenschap van staten opgenomen nadat het Oostenrijkse parlement het grondwetsartikel over permanente neutraliteit had aangenomen.

Deze neutraliteit is ontegenzeglijk lange tijd van belang geweest voor Oostenrijks positie in de wereld - in het bijzonder tijdens de decennia van de Koude Oorlog. Door zijn neutraliteit verzekerde Oostenrijk zich van zijn soevereiniteit, zijn plaats in de wereld en niet in de laatste plaats zijn veiligheid in die moeilijke tijden van confrontatie tussen Oost en West.

Sindsdien zijn de uitgangspunten voor het veiligheidsbeleid in Europa echter ingrijpend veranderd. Dit betekent niet dat de neutraliteit van Oostenrijk achterhaald is, maar wel dat Oostenrijk zijn neutraliteitspolitiek aan de nieuwe omstandigheden moet aanpassen.

De revolutionaire veranderingen die in 1989 begonnen met de val van het IJzeren gordijn, hebben vorig jaar een dramatisch vervolg gekregen in het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De problemen waarmee deze fundamentele veranderingen gepaard gingen (economische neergang, milieurampen, herlevend nationalisme, gewapende conflicten die zich uitstrekken van het voormalige Joegoslavië tot het Kaukasisch gebied) tonen onomstotelijk aan dat de erfenis van het communisme rampzaliger is dan wie ook had kunnen voorzien.

Na tientallen jaren van "reëel bestaand socialisme', met zijn treurige onderdrukking van democratische krachten en zijn gebrek aan economische en sociale modernisering, zien de betrokken landen zich geconfronteerd met een aantal ernstige binnenlandse problemen. De instabiele binnenlandse toestand vormt een vruchtbare voedingsbodem waarin de herlevende gevoelens van culturele en etnische identiteit, hoe positief op zichzelf ook, nogal eens uitgroeien tot nationalistisch antagonisme. Dat antagonisme leidt soms tot conflicten, tot dusverre op beperkte schaal, maar niettemin pijnlijk voor de bevolking in kwestie.

Het einde van de politieke en ideologische hegemonie, en de uiteindelijke ineenstorting van het imperium bood de landen van Midden- en Oost-Europa de gelegenheid zich na tientallen jaren te bevrijden van de onderwerping en zelfstandige staten te worden, dit in tegenstelling tot de voortschrijdende integratie van West-Europa, die zich sinds het midden van de jaren 1980 in steeds hoger tempo voltrekt. De Europese Gemeenschap is van deze ontwikkeling het centrum en de drijvende kracht. Oogmerk van de Europese integratie is politieke zowel als monetaire eenwording zoals is geformuleerd in het Verdrag van Maastricht. Zo wordt de gemeenschap het anker van Europa's stabiliteit in een Europa dat in het oosten wordt bedreigd door nieuwe gevaren van nationalistische destabilisatie.

De diep ingrijpende veranderingen vragen om een nieuw Europees veiligheidsstelsel. De opbouw daarvan is de belangrijkste taak waarvoor ons continent thans staat. Deze noodzakelijke herinrichting van het veiligheidslandschap biedt Europa de gelegenheid de handhaving van de interne vrede op een nieuwe leest te schoeien: de landen waaruit Europa bestaat zullen veiligheid en vrede niet langer tegenover elkaar, maar mèt elkaar beschermen. De samenwerking tussen gelijkwaardige partners op een institutionele basis moet, samen met de noodzakelijke integratie van democratische, autonome staten, een stabiele, vreedzame toekomst garanderen. Deze aanpak lijkt het beste antwoord op de nieuwe, complexere vraagstukken waarvoor onze veiligheid en de bedreigingen ervan. Uit de gebeurtenissen in Midden- en Oost-Europa blijkt afdoende de relevantie van economische en sociale factoren voor het veiligheidsbeleid. De veiligheid in Europa als geheel wordt thans vooral bedreigd door niet-militaire gevaren zoals ongecontroleerde migratie.

Op het institutionele vlak zal een Europees veiligheidsstelsel gebaseerd moeten zijn op reeds bestaande instituties met hun specifieke ervaring en mogelijkheden. De contouren van een dergelijke samenwerking tussen EG, WEU, NAVO en CVSE, op basis van het Handvest van de Verenigde Naties, beginnen zich al af te tekenen. De sleutel tot een kwalitatieve wijziging van de Europese veiligheidsstructuren zoals hierboven genoemd zal echter de intensivering van het Europese integratieproces en de daaruit voortvloeiende versterking van de Europese Gemeenschap zijn.

Dit vormt de achtergrond voor de noodzakelijke herziening van Oostenrijks veiligheidsbeleid. Het lijkt vanzelfsprekend dat in deze tijd veiligheid het best kan worden bereikt via samenwerking tussen staten door in de vorm van een netwerk van elkaar onderling aanvullende organisaties. Vooral de veiligheid van kleinere staten met hun beperkte middelen, is beter te beschermen door onderlinge samenwerking.

Heroverweging van Oostenrijks neutraliteitspolitiek wordt dus onvermijdelijk: de nieuwe gevaren voor de veiligheid van ons land - etnische conflicten, milieurampen, nieuwe migratiegolven - zijn eenvoudig niet langer op te lossen met de klassieke middelen van de neutraliteit. Vereist is daarentegen een sterk geïntensiveerde samenwerking op internationaal niveau.

Alleen door een nauwere band tussen Midden- en Oost-Europa aan West-Europa kan de instabiele toestand worden gestabiliseerd. Juist daarom zijn de pogingen van Oostenrijk zich bij de EG aan te sluiten niet alleen ingegeven door economische behoeften, maar ook door overwegingen van veiligheidsbeleid: het behoeft nauwelijks betoog dat Oostenrijks veiligheid slechts kan worden gegarandeerd binnen het kader van de Europese solidariteit.

Het lijkt thans vanzelfsprekend dat de deelname van een neutrale staat aan het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid van de EG geen problemen met zich meebrengt, aangezien die betrekking heeft op die terreinen waar reeds sterke parallellen met het beleid van de EG bestaan, en daarin zal waarschijnlijk geen verandering komen wanneer de EG haar gemeenschappelijke beleid verder ontwikkelt. Oostenrijks internationale verplichtingen zijn immers duidelijk omschreven door het neutraliteitsartikel in de grondwet: geen buitenlandse militaire bases op Oostenrijks grondgebied en geen deelname aan militaire bondgenootschappen. Anderzijds hebben alle Oostenrijkse regeringen sinds 1955 onderstreept dat de neutraliteit van Oostenrijk geen ideologische neutraliteit is, en dat Oostenrijk zich altijd heeft beschouwd als een van de Westerse democratieën.

Blijvende neutraliteit en volwaardige deelname aan de Europese integratie, ook gezien in het licht van het defensiebeleid, moeten worden gezien als communicerende vaten: naarmate een stelsel van collectieve veiligheid efficiënter wordt, zal de optie voor blijvende neutraliteit aan belang inboeten. Volgens deze dynamische opvatting zullen beide instrumenten telkens opnieuw moeten worden geëvalueerd en zullen de prioriteiten van het Oostenrijkse veiligheidsbeleid moeten worden bijgesteld. Met andere woorden: in de mate waarin een regionaal stelsel van collectieve veiligheid (in het middelpunt waarvan zonder twijfel de Westeuropese Unie zal staan) gestalte krijgt, zal Oostenrijk zich moeten bezinnen op zijn blijvende neutraliteit als instrument van het veiligheidsbeleid. Gezien deze dynamische opvatting van het veiligheidsbeleid heeft Oostenrijk de taak de prioriteiten van dat beleid voortdurend bij te stellen.