Nieuw licht op de Max Havelaar

Over Multatuli nr. 29. Uitgeverij Huis aan de drie grachten. ƒ 20,00. Tel. 020-6245781.

Als docent aan de Katholieke Universiteit Nijmegen werd hem door studenten met regelmaat gevraagd om een afstudeeronderwerp over de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van de 19de eeuw. Multatuli, daar gingen ze op voorhand van uit, die viel vanzelfsprekend af. “Ze dachten: over de schrijver van de belangrijkste roman in onze literatuurgeschiedenis”, zegt Nop Maas (42) nu, “is natuurlijk alles al gedaan. Nou, dat is een misverstand. Eigenlijk is er aan Multatuli nog bijna niets gedaan.”

Nop Maas behoort zonder twijfel tot de grootste kenners van Nederlandse literatuur uit de tweede helft van de 19de eeuw. Hij schreef een doorwrochte studie over De Nederlandsche Spectator (1860-1907), promoveerde op de opvattingen van Marcellus Emants over kunst en leven, en sinds 1977, het jaar van oprichting, is hij een van de drijvende krachten achter de Werkgroep 19de eeuw, een genootschap dat ernaar streeft om de studie van de vorige eeuw op een interdisciplinaire manier aan te pakken. Anderen zullen Maas kennen als bezorger van enkele brievenboeken van Gerard Reve. In kleinere kring is hij bovendien berucht om zijn grenzeloze documentatiedrift. Meerdere kamers in zijn huis in Haarlem worden in beslag genomen door archiefkasten en kaartenbakken. Er lijkt geen 19de eeuws onderwerp te bestaan of hij heeft er een verwijzing over in zijn persoonlijk archief. En waarschijnlijk ook nog wel een spotprent, want Maas heeft in de loop der jaren een indrukwekkende collectie literaire karikaturen bijeengebracht uit de periode 1860-1940.

Naast dit alles is Maas ook nog redacteur van het sinds 1978 verschijnende tijdschrift Over Multatuli. Dezer dagen verschijnt de nieuwste aflevering van dit periodiek, en het artikel dat Maas daarin schreef bewijst zijn stelling dat over Multatuli nog lang niet alles is nageplozen. Zo blijkt er zelfs nog nooit structueel onderzoek te zijn gedaan naar de ontvangst in de pers van de Max Havelaar, hoewel dit toch algemeen wordt beschouwd als een van de belangrijkste 19de eeuwse boeken.

“Over de contemporaine ontvangst van de Max Havelaar zijn twee dingen bekend gebleven”, aldus Maas. “Allereerst is er de door Multatuli herhaaldelijk verwoorde samenvatting: men vond het een mooi boek, maar men deed niet wat het boek wilde bewerkstelligen, namelijk Multatuli in een belangrijke positie herstellen en een eind maken aan de onderdrukking van de Javaan. In de tweede plaats is bekend dat de Havelaar op 25 september 1860 werd genoemd in een discussie in de Tweede Kamer. Bij die gelegenheid zei het liberale kamerlid W.R. van Hovell dat het boek een "rilling' door het land had doen gaan. Kennelijk werd er dan toch door een aantal personen nota genomen van de inhoud van het boek. Maar de gevolgen waar Multatuli op hoopte, bleven inderdaad uit.”

De kijk van Multatuli op de ontvangst van zijn boek is volgens Maas door de literatuurhistorici kritiekloos overgenomen. “Maar daarmee zijn natuurlijk een hoop vragen onbeantwoord gebleven. Bijvoorbeeld: was men inderdaad meer geïnteresseerd in de vorm dan in de inhoud van het boek? Hoe interpreteerde men de boodschap? En nog belangrijker: leveren de overgeleverde reacties aanwijzingen op voor het antwoord op de vraag waarom Multatuli's doelstellingen niet bereikt werden?”

Om deze vragen te beantwoorden besteedde Maas enkele weken aan het doorwerken van Nederlandse en Nederlands-Indische tijdschriften en kranten uit 1860, het jaar waarin de Max Havelaar verscheen. Zijn artikel is niet alleen belangrijk omdat het een nieuw licht werpt op de toenmalige ontvangst van dit boek, maar ook omdat Maas tot in detail beschrijft hoe hij bij zijn speurtocht te werk is gegaan. Alleen daarom al zou dit artikel op universitaire literatuurlijsten verplicht moeten worden gesteld, want de zogeheten receptiegeschiedenis behoort tot de stiefkinderen van de Neerlandistiek.

Maas begon niet helemaal met lege handen. In deel tien van het Volledig Werk van Multatuli, plaatste Garmt Stuiveling in 1960 enkele belangrijke besprekingen bij elkaar. “Maar hij deed dit zonder vooraf systematisch onderzoek te hebben gedaan naar de reacties op dit boek”, zegt Maas. “Zelfs publikaties waarnaar Multatuli zelf in brieven verwijst, ontbreken in zijn lijst. Bij mijn weten heeft niemand eerder de moeite genomen om zelfs maar die verwijzingen na te trekken. Ze dachten zeker dat dit al gebeurd was.”

In totaal ontdekte Nop Maas enkele tientallen kleinere en grotere contemporaine beschouwingen over de Max Havelaar. Ze staan opgesomd in een bijlage en komen uit bladen als de De 's Gravenhaagsche Nieuwsbode, Bataviaasch Handelsblad, De Economist, De Indir, de Java-Bode en de Soerabayasche Courant. Het raadplegen van deze bronnen had nogal wat voeten in aarde en confronteerde Maas met een onaangenaam schouwspel: “De persorganen uit de vorige eeuw zijn in snel tempo aan het verkruimelen. Een fors deel van het bezit van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waar de meest uitgebreide verzameling is ondergebracht, is helemaal niet of slechts in zeer beperkte mate voor onderzoek beschikbaar. Als het ministerie van WVC nog lang wacht met het beschikbaar stellen van geld voor het op microfiche zetten van kranten, hoeft het niet meer, en zijn we een zeer belangrijke bron van inlichtingen definitief kwijt.”

Een analyse van de besprekingen die hij vond, leverde enkele verrassende conclusies op. “Men was indertijd vrijwel unaniem van oordeel dat de Max Havelaar een literair meesterwerk was. Maar de meeste recensies gaan niet zeer uitgebreid in op de literaire kwaliteiten. In tegenstelling tot Multatuli's klachten gaat de meeste aandacht uit naar wat men als de hoofdzaak van het boek beschouwde: de mishandeling van de Javaan. Soms twijfelt men aan het waarheidsgehalte van de beschrijvingen, maar men is algemeen van oordeel dat dergelijke toestanden niet zouden mogen voortduren.”

Een van de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek van Maas is dat er zich in de toenmalige ontvangst van het boek een breekpunt voordoet. “Dat gebeurt omstreeks juli 1860. Woordvoerders van de liberale koloniale oppositie maken zich meester van de Havelaar. Zij maken een onderscheid tussen de zaak en de persoonlijke grieven en ambities van Multatuli. De laatste worden zoveel mogelijk terzijde geschoven; de zaak wordt vertaald tot een protest tegen het heersende stelsel in Indië. Maar de adhesie voor de Havelaar uit liberale hoek roept in september 1860 een min of meer "georganiseerde' oppositie op uit het conservatieve kamp. In de loop van de tijd verschuift de belangstelling voor de zaak van de Javaan in de richting van de persoon Multatuli. Vijandige familieleden en conservatieve krachten zien in aanvallen op de persoon mogelijkheden om het "gevaar Multatuli' te neutraliseren. Nadruk op de persoon ontstaat bovendien doordat Multatuli de zaak van de Javaan en zijn eigen herstel strikt met elkaar verbindt. Diverse auteurs constateren - niet geheel ten onrechte waarschijnlijk - dat Multatuli de zaak van de Javaan geen goed doet door er zelf steeds maar vóór te gaan staan.”

Het blijkt dus te simpel om eenvoudigweg de samenvatting van Multatuli over te nemen: “Ze vonden het een mooi boek, maar ze deden niets.” Maas: “Men deed inderdaad niet wat Multatuli verwachtte en wilde. Multatuli had eenvoudigweg naïeve en al te ambitieuze verwachtingen van het concrete effect dat een roman op korte termijn kan hebben. De politiek had zijn eigen programma dat maar gedeeltelijk ruimte liet voor Multatuli en zijn zaak. Misschien moet je zelfs zeggen dat er meer is uitgekomen dan redelijkerwijs te verwachten was. Maar de doorsnee-recensent valt eigenlijk niet veel te verwijten. Die herkende het boek als een meesterwerk en riep op tot onderzoek van misbruiken en het uitroeiing daarvan. Meer kon men in billijkheid niet van hem verwachten.”